Citaten uit het boek Metabletica
Een boek van Jan Hendrik van den Berg over hoe mensen in de loop der laatste eeuwen zijn veranderd. Vóór de 18 e eeuw sprak men niet over kinderen. Toen waren het jonge volwassenen die op hun manier al bij de volwassenen hoorden. Ook al waren ze lichamelijke nog niet volwassen, ze deden en leerden volop mee met de anderen. Sinds de 18 e eeuw ging men kinderen als niet-volwassenen zien, ook omdat de kinderen zich als niet-volwassenen gingen gedragen.
Er was blijkbaar wat in de samenleving veranderd, zeker in de steden, waardoor kinderen meer en meer buiten de samenleving kwamen te staan. Eerst ontstond er een korte puberteit, deze nam toe in lengte en ook ontstond daarna de adolescentie. Een constant opschuiven van de leeftijd waarop mensen de stap naar volwassenheid zetten. Als oorzaken noemt Jan Hendrik vooral de toenemende industrialisatie en de ontwikkeling van de wetenschap.
Zelf spreekt de gnostiek me aan. De leefwijze van je eigen hart volgen en niet met de kudde meelopen mis ik in dit boek. Neem deze uitspraak: “Zo zijn wij allen niet onszelf, er is eigenlijk geen sprake meer van een zelf: wij zijn legio, evenveel zelven realiseren zich in elk onzer als er groepen zijn, waartoe wij behoren.” Elke groep kan beklemmend zijn. In het boek Oude wijsheid van natuurvolken van Robert Wolff proef ik niet dat bij hen de groep beklemmend is voor het individu. We hebben behoefte aan wijsheid in onze samenleving…
Inspirerend hoe Jan Hendrik schrijft over continuïteit en uitkomt bij alles heeft zin. Continuïteit verbindt voorvallen aan elkaar, daar is onze wetenschap ook op gestoeld. Voor discontinuïteit is in onze samenleving geen plaats. Hij zegt ergens dat in de nabijheid der mensen het wonder aanwezig is. Hier ligt voor mij het bruggetje naar onze vrije wil en naar bewustzijn. Met deze begrippen is discontinuïteit de regel en is continuïteit de vervlakking van onze werkelijkheid. Het woord zingeving heeft bij mij nu de bijsmaak van continuïteit gekregen.
Het boek is in 1956 geschreven, dat is in de woordkeuze goed te merken. En tegelijkertijd ben ik dit onderwerp in een hedendaags boek nog niet tegengekomen.
Hij citeert uit een rapport van UNESCO, geschreven in 1952. Toen was er bij dergelijke organisaties blijkbaar nog geld beschikbaar om te onderzoeken wat een gezonde samenleving kenmerkt.
In zijn verhaal wordt me weer eens duidelijk dat kunstenaars, in dit geval een schrijver, goed de tijdgeest kunnen oppikken. Het gaat om het boek Madame Bovary . Met de toelichting van Jan Hendrik begrijp ik het boek Anna Karenina ook beter.
Jan Hendrik beschrijft hoe we met kinderen zijn gaan praten. Onze manier van praten noemt hij voor kinderen een drempel om zich thuis te voelen in de wereld van de volwassenen. Hier raakt hij een spoor waar ik de laatste tijd veel mee bezig ben. Ik zie drie talen in onze samenleving, die van de kerk, wetenschap en ervaring. Van volwassene naar kind constateert Jan Hendrik dat de taal van de wetenschap wordt gesproken en hij pleit voor de taal van de ervaring. De derde taal, die van de kerk, was bij het ontstaan van het kind gestaag minder dominant aan het worden. Deze taal gaat over de rol van een God en over hoe te leven en zal eeuw na eeuw grotendeels hetzelfde hebben geklonken. De taal van de wetenschap gaf een fundamenteel andere kijk op onze werkelijkheid. Het zou mij niet verbazen als jonge mensen een natuurlijke aversie hebben tegen de wetenschappelijke, observerende kijk op de werkelijkheid. De wetenschap verklaart alles en daarmee verdwijnt de verwondering, in zijn woorden: het wonder.
Woord vooraf
P13. De onderstelling dat de mens onveranderlijk is, beheerst de gehele psychologie. … Dit boek gaat uit van het postulaat der veranderlijkheid. … De historische psychologie vergelijkt vroeger en nu onder het aspekt der veranderlijkheid. Zij vraagt naar de zin, de betekenis der veranderingen. … Bij elke grondgedachte der psychologie stelt de historische psycholoog de vraag: welke wijze van leven en denken maakte deze gedachte nodig?
H1. De noodzaak van een leer der veranderingen
P15. De psycholoog [van de 19 e eeuw] werkte voor de eeuwige wetenschap. Hij bleef ver van het dagelijkse leven. … Hij kon het zich veroorloven, want niemand vroeg hem iets. … De psycholoog [in de 20 e eeuw] hoorde vragen, eerst enkele, toen meer, tenslotte zóveel, dat de tijd ontbrak alle te beantwoorden.
P20. … de oratie van Kouwer [heeft] bij niet weinig psychologen verontrusting gewekt. – Eigenlijk behoorden zijn woorden ons aller ongerustheid te wekken. Want zij maken een geheim openbaar, dat niet toevallig met zoveel zorg werd behoed. … de inhoud van het geheim [is]: wij [psychologen] weten het niet.
H2. Volwassenen en kinderen
§1. Het kind vroeger en nu
P24/25. [De raad van Montaigne in een hoofdstuk over de opvoeding van kinderen (1580, hij leefde vlak voor Descartes] “Weinig jaren van het leven”, zegt de schrijver, “zijn gereserveerd voor de opvoeding, hooguit de eerste vijftien of zestien, gebruik deze jaren dus goed, volwassene, wanneer ge het kind tot juiste volwassenheid wenst op te voeden; laat overbodige zaken achterwege. Wilt ge iets goeds doen, leg het kind dan wijsgerige dialogen voor, weliswaar eenvoudige, niettemin zulke, die een nadere uitleg waard zijn. Behandel deze dialogen naar behoren, het kind is in staat deze materie te verwerken vanaf het ogenblik, dat het zich enigermate kan redden” … “in ieder geval zal het kind een bespreking van wijsgerige dialogen beter doorstaan, dan een poging het tot lezen en schrijven te brengen; met die poging moet men nog wat wachten”.
P26. … geen enkel geschrift [van die dagen] doet ons vermoeden, dat het kind werkelijk gezien en begrepen is. Integendeel, … het kind is afwezig in de hoogdravende, deftige lectuur. … John Locke [een eeuw later] … zegt met nadruk, dat de volwassenen het kind als een wezen moeten bejegenen, dat tot redelijk inzicht bereid en begerig is.
P27. Rousseau [weer een eeuw later, in Émile]: Redelijkheid, betoogt hij doelend op Locke, is niet de eerste maar de laatste vrucht van een educatie; … Bedenk toch, … dat het kind kind is, dat betekent geen volwassene; uw pedagogische daden dienen … voort te spruiten uit dat verschil.
P28. “Praat niet met de kinderen”, zegt [Rousseau] … “Redelijkheid tussen volwassenen, tussen volwassenen en kind: dwang”. [Nieuw inzicht:] “Wat het kind moet weten is, dat het zwak is en dat gij, volwassene, sterk zijt; voorts, dat uit dit verschil voortvloeit, dat het onder uw gezag staat. Dat moet het kind weten, dat dient het te leren, dat moet het voelen.” … Merkwaardig: door de ongelijkheid van kind en volwassene te erkennen, wordt men gebracht tot de aanvaarding van macht en dwang in hun omgang.
P29. In het vierde hoofdstuk [van Émile] schrijft Rousseau, dat de mens niet één maar twee geboorten ten deel vallen. … De tweede betreft de puberteit … [Hij] spreekt van een “ogenblik van crisis“, van een “tamelijk korte periode”. Hebben wij niet de indruk, dat de volwassenenwording tamelijk lang, zo niet onwaarschijnlijk lang duurt?
P30. Vóór Rousseau heeft niemand over de volwassenenwording geschreven.
P33. [In de tijd na Rousseau valt te benoemen] een schier onafzienbare stoet van wat wij noemen vroegrijpe kinderen, kinderen, die kennelijk al zeer jong goed bevonden werden voor de studie, en die de daarin aangeboden overmatig volwassen stof bleken te kunnen verwerken.
P35. Meestal … wordt de [genoemde] verandering van het kind van de hand gewezen met de opmerking, dat de geciteerde voorbeelden voorbeelden zijn van in feite bijzondere, bijzonder begaafde en ook in hun tijd als wonderen beschouwde kinderen. Ten dele is dat zeker waar[, want Rousseau en Campe … [beschrijven] de naar hun inzicht onhoudbare … als een algemene. … Trouwens, hoe staat het met de groten van onze tijd? Waren zij gelijk aan de begaafden van vroeger, dan moesten ook zij het voorbeeld kunnen zijn van eenzelfde vroegrijpheid. Daarvan blijkt weinig of niets. … Eerder vindt men onder de groten van nu voorbeelden van een late rijpheid.
P36. … de oude lectuur wemelt van aantekeningen, die door hun onopzettelijkheid duidelijk maken, dat de volwassenen het kind wel degelijk met uiterst volwassen materie pleegden te confronteren.
P37. Het kind is kind geworden. … De oorzaken der veranderingen in de aard van het kinderlijk bestaan moeten liggen in veranderingen in de aard der volwassenen.
§2. De volwassenen
P39. Wij weten dat de oorlog begon op 10 mei 1940. Maar dit weten is nog geen herinneren. … Zich de dag van 10 mei 1940 herinneren, dat is een andere zaak.
P40. Het is alsof het verleden alleen door een achterdeurtje tot ons komt; de voordeur is gesloten. … Of werd de voordeur gesloten? De klacht dat het verleden zo uiterst moeilijk tot ons komt – zowel persoonlijk verleden als het verleden van ons allen – is vroeger zelden geuit.
P42. Het verleden in zijn gedaante van verleden, dat is dus: in zijn echte gedaante, is het verleden zoals het nu tot ons komt, het gebeurde zoals het thans tot ons spreekt. … [paradox:] De herinnering van mijn jeugd is echt, wanneer zij niet identiek is aan de jeugd van toen.
P43. Waarborgen vroeger een gelijkvormigheid van leven van generatie op generatie een continuïteit der geslachten en daarmee een in deze continuïteit plaatsvindend onbelemmerd transport van vroeger naar nu, thans is deze continuïteit verloren gegaan en zien wij met bevreemding terug naar een tijd, die “niet meer spreekt“. … Nu spreekt het heden een nieuwe taal, en steeds weer een nieuwe taal.
P46. … onze tijd … lijdt bovendien aan een toenemende polyvalentie van haar instellingen. Elke handeling, elke zaak en daarmee elk woord bezitten niet één maar steeds vele betekenissen. … Zelfs de stamwoorden van ons bestaan zoals: moeder, vader, kind, man, vrouw, geboorte, dood, liefde en haat verloren hun universeel geldende inhoud. … Het kind dat naar deze pluriforme en polyvalente volwassenheid toegroeit, ontmoet haast onoverkomelijke moeilijkheden. Elke stap die het doet om volwassen te worden, is een stap in de mist der polyvalenties.
P47. … wij [volwassenen] zijn erin geslaagd in de complexe samenleving een klein en relatief eenvoudig plekje vrij te maken, voor de rest zijn wij blind, wij zien het niet en kunnen daarom doen, alsof het er niet was. … De gebaren der volwassenen zijn onzeker, want zij stammen uit een domein van volwassenheid, dat zijn grenzen dankt aan een onvermogen.
P48. De eerste oorzaak van de toegenomen kinderlijkheid van het kind en van het ontstaan, de verlenging en de verdieping der volwassenwording ligt in het polyvalente pluralisme, eigen aan de staat van de hedendaagse volwassenheid. … Het tweede kenmerk, dat de hedendaagse volwassenheid kenmerkt, is haar onzichtbaarheid. Voor het kind is de volwassenheid in hoge mate onzichtbaar. Liep het vroeger door de straten van zijn woonplaats, dan zag en hoorde het … de uitoefening van de beroepen, waarvan het er een ooit zelf zou kiezen.
P50. Kiezen is niet: tussen door onderzoek bekende, dat is ongevaarlijk gemaakte zaken een veilige weg zoeken; dat is hoogstens zich-doen-schuiven. Kiezen is een route ontwerpen in het ongewisse, een weg door gevaar.
P52. Kiezen is uitgenodigd worden. – Dat was kiezen. Straks is kiezen: voltrekken wat na inventarisatie het meest aannemelijk, of het minst onmogelijk lijkt.
P53. Als de toekomst leeg is, bevat het heden beuzelarij. … Als de volwassenen onzichtbaar zijn, leeft de jeugd in de mist.
P54. Dat het huwelijk een geslachtelijk samenzijn is, wordt het kind op geen enkele wijze duidelijk.
P55. [Het derde kenmerk der huidige volwassenheid komt ter sprake in de volgende paragraaf]
§3. Discontinuïteit en de vraagzucht van de kinderen
P56. Charles Darwin [in 1831 in de Beagle, had het boek Beginselen der aardkunde van Charles Lyell bij zich.] … In dit standaardwerk der geologie zet Lyell als eerste uiteen … dat het tempo van de veranderingen [geleidelijk, uiterst langzaam is en nu gelijk aan vroeger, dit in plaats van veranderingen van uiterste beweging (van cataclysmata)]. … [Dit gaf Darwin waarschijnlijk het inzicht van de evolutietheorie].
P57. [Nieuw was de ook nu nog geldende aard van de actie]. … Het boek [van Darwin Over het ontstaan der soorten] brengt [de] nieuwheid [van soorten] juist terug tot wat het was; in het eerste levende wezen op aarde ligt de totale verscheidenheid van leven besloten: wat thans is, is onverkort wat vroeger was. Het heden is slechts “uitwerking”: een nadere bewerking van het verleden; zo zal de toekomst zijn, er is niets nieuws onder de zon.
P58. Het is de gedachte van de continuïteit. … [Leibniz, 1704:] de wet der gestaagheid … de gedachte, dat het een uit het ander zonder stoten voortkomt. … het gaat niet om de gedachte, het gaat om de continuïteit zelf. Eerst was de continuïteit der dingen er niet, thans wel; de oorzaak van deze verandering ligt bij ons, volwassenen … [wij hebben deze gedachte in de realiteit geworpen, een gedachte] die kinderen zoveel moeite geeft. … Wat wij denken wordt … concreet. Dat is ons denken, concreet maken
P59. Wanneer is de gedachte der continuïteit ontstaan? In het begin van de 17 e eeuw? [Misschien bij Descartes?] … Waarschijnlijk betrof Descartes’ ontdekking … de mogelijkheid alle wetenschappen naar het voorbeeld van de wiskunde op te bouwen
P60. Wel was in de middeleeuwen, evenals in de oudheid, het begrip continuïteit met haar tegenstelling de discontinuïteit bekend, maar het laatste werd niet verworpen ter wille van de exclusieve geldigheid van de eerste. De discontinuïteit, dat is: het niet-overgankelijke, de sprong, het verbandloze en daarmee het toevallige of vrije, werd alleszins mogelijk en reëel geacht. … Wij zoeken naar structuren, dat is: wij willen, door zonderlinge noodzaak gedreven, verband, vloeiende overgang. … Niettemin, men kan pas dan van een structuur van dingen en van voorvallen spreken, wanneer het verband der continuïteit afwezig is. Want continuïteit maakt gelijk, zij heft uiteindelijk alle structuur op. … de homogeniteit [is] voorwaarde van de continuïteit.
P61. [In Descartes’ Principes de la philosophie (1644) noemt hij in het tweede deel zeven kardinale vaststellingen. De laatste luidt:] De eerste beweging komt van God. [62] [Hiermee heeft Descartes] God willen uitschakelen. God, die in de eeuwen vóór hem in letterlijk alle dingen aanwezig was. Nu moet het uit zijn. – Dat is een moderne gedachte.
P62. De manier waarop Descartes de dingen behandelt, is niet wetenschappelijk.
P64. [Descartes] grendelt de werkelijkheid af van alles, wat niet te vangen is in strikte continuïteit. … [daarop voortbordurend] De gang der dingen heeft voortaan één en slechts één richting, onafwendbaar en voorspelbaar. Er valt op te rekenen, op deze gang, zozeer, dat men hem gerust mag sonderen om er wetten uit te halen, waaraan de wetten van morgen en overmorgen zullen voldoen. Het experiment wordt mogelijk. Wat nu geldt, heeft eeuwige betekenis.
P65. Alleen door de voorvallen aan het verleden te kitten worden zij “voorspelbaar”. … [Slinger van Foucault, wie vraagt zich af,] of de daarin uitgesproken beweeglijkheid van de aarde werkelijk uitdrukt door welke beweging de wereld, die wij bewonen, beheerst wordt.
P67. Het Foucaultse [draaien van de aarde] verdwijnt in het niet bij [een ochtendgloren op] de zomerochtend … Als Emma Bovary haar liefde beantwoord ziet, verschuift alles om haar heen, … maar van deze beweging zullen Foucault en de zijnen nooit iets bespeuren.
P68. De aarde draait – zeker, als men genoegen neemt met een gedenudeerde, ontmantelde en ontluisterende wereld, een wereld, die niets menselijks meer in en aan zich heeft, dan, anders niet. … Foucault meet het resultaat van een reductie.
P69. Zij zijn gelijk, warmte en arbeid, even gelijk als de dingen bij Descartes. Vanzelfsprekend zijn zij uitsluitend gelijk als meetbaarheden (ruimtelijkheden), maar ons werd de meetbaarheid, sinds Descartes, zo belangrijk, dat wij vergeten hoeveel ongelijkheden daarmee verdoezeld worden.
P70. In de libido-theorie [van Freud] gaat het uiteindelijk om de cel en zijn product, dat is: om ruimtelijkheden, ruimtelijkheden wel te verstaan in de zin van Descartes en Foucault.
P71. [Croonian Lectures van Hughlings Jackson in 1884:] Gezonde en zieke staan op dezelfde trap [der evolutie]. … Daar ging het om: om een homogeniteit, een gelijkheid.
P72. Het was [de vader van Herbert Spencer] zijn stellige overtuiging – die toen ook bij [hem] ontstond – dat men de dingen moet beschouwen als dingen-met-een-oorzaak; … ik … kwam tot de overtuiging, dat de causaliteit alles beheerst … Het gevolg bestond vanzelfsprekend in een volstrekt ongeloof in wonderen.
P76. Woorden tussen volwassenen en kind zijn, op enkele woorden na, nodige woorden, woorden die noodzakelijk werden. In het algemeen geldt, dat hoe meer de mensen met elkaar praten, des te slechter het gesteld is met hun verstandhouding. … Is het goede huwelijk niet gekenmerkt door weinig woorden en door stilte? … [Vroeger verstonden vader en zoon] elkaar. Nu is dit verstaan geschonden, niet ten laatste door de onmogelijke antwoorden, die wij het kind voorschotelen. Waarom zijn de bladeren rood, door de kou, wat een onzin. … “Omdat het zo mooi is, kind.” … Geen beter antwoord. … Een antwoord, dat geen vragen oproept … [anders zijn] de antwoorden één voor één drempels
P77. Wij geloven [inmiddels] niet in een antwoord, dat de zin der voorvallen in de voorvallen, en de zin der dingen in de dingen legt. Voor ons ligt de zin noodzakelijkerwijze buiten de dingen en buiten de voorvallen, buiten het nu. … Neem de toekomst waar. Er is niets anders waar te nemen. Het heden is de zichtbare toekomst.
P78. Neem het heden waar, en toon het kind dit heden, toon het de intenties van het heden. Maar niemand durft dit nog (sinds Descartes, Leibniz, Spencer, Jackson en Freud). … Hoe willen we nog verbaasd zijn dat een kind niet weet, wat het worden wil? … [In het kind is] de gedachte vergald, dat het heden de zin der dingen te zien geeft.
§4. De volwassenenwording
P79. [Nogmaals Rousseau, zie ook p28] Sterker dan Rousseau bedoeld zal hebben leren wij het kind met [ons antwoord waarom herfstbladeren rood zijn], dat het zwak is en dat wij (die weten) sterk zijn, doen wij het door dit antwoord voelen, dat het onder ons gezag (het gezag der kennis) staat en brengen wij het tot het inzicht, dat zijn staat een bij uitstek kinderlijke is. … In de 18 e eeuw nam het [80] proces der distantiëring van volwassene en kind een aanvang. In die tijd ontstond de psychische puberteit.
P80. [Ariès:] “De jeugd is een van de grote uitvindingen van de 18 e eeuw“ … [het kind dient] een complexe periode van psychische volwassenenwording door te maken – willen wij volwassenen de indruk hebben, dat het bij ons is, dat het werkelijk aan onze gecompliceerde, innerlijk tegenstrijdige, maar desondanks en zelfs ten dele door dit alles zo verrukkelijke volwassenenheid kan deelnemen. … In de laatste decenniën ten slotte zien wij, dat de volwassenenwording steeds minder [81] vaak … wordt afgesloten aan het einde der zo langdurig geworden puberteit, maar voortloopt tot diep in de daarop volgende tot voor kort alleszins volwassen jaren, waarmee een nieuw tijdvak aan de volwassenenwording is toegevoegd: het tijdvak der adolescentie.
P81. Vasthoudend aan de definitie van Langeveld, dat diegene volwassen mag heten, die in staat is “het meest noodzakelijke gezag over zichzelf en hetgeen hem toevertrouwd is te voeren”
P82. Het is duidelijk, dat dit proces [van vertraagde volwassenenwording] ons aller bestaan dreigt te ontwrichten.
P85. Het genoegen van de brandende kaarsen op oudejaarsavond gaat zo niet geheel dan toch voor een groot deel teloor, als geen kind ervan geniet. … Alles van de volwassenen – alles, wij dreigen het te vergeten – ontleent zijn aantrekkelijkheid en zijn betekenis aan het kind, dat, op welke wijze ook, tegenwoordig is.
P86. De krasse verhalen bij uitstek, de sprookjes, waren er in [de tijd van Montaigne, 16 e eeuw] nog niet. Sprookjes (sprookjes als verhalen voor kinderen) ontstonden, toen volwassene en kind uiteengingen. … Niet toevallig zijn de sprookjes wreed. Door wreed te zijn bewijzen zij het onbereikbare of zelfs afstotende karakter der volwassenheid, daartoe zijn zij bedoeld. … thans is de afstand van volwassene en kind zo groot, dat het middel [van wreedheid] faalt, het is te grof. De wreedheid, die eerst mild terugduwde, jaagt het kind thans in de angst.
P87. In tijden van vrede echter is het zinloos en onjuist de kinderen te waarschuwen voor de gevaren en de gruwelen van een oorlog: de oorlog is ver, in het vacuüm van deze verte verwekt de waarschuwing angst.
P88. Het kind is dronken van vreemdheid, wanneer het [op een veilige manier] kennis maakt met de wereld der volwassenen. … het kind uit de puberteit kan de vreemdheid zelfs uitsluitend alleen exploreren (het gaat er bijna aan ten gronde)
P89. In de regel is [de volwassene] er zich niet van bewust, dat het kind van onze tijd in een geheel andere werkelijkheid leeft.
P91. De klacht van de puber, dat de ouders, vooral de ouders, hem niet begrijpen, bewijst, dat de ouders hem op de juiste wijze – dat wil zeggen: als ouders en niet als quasi-pedagogen – te woord staan.
P93. [Vroeger hoorde het kind al vroeg bij de volwassenen] Nu is dat voorbij. De band die het kind aan de ouders bindt, is dubieus. Iets te vriendelijk en het kind is “gebonden”, vastgelegd in een moederbinding of vader-dito. Iets te onvriendelijk en het kind komt in een ander soort neurose.
P104. Als het kind de belangstelling der volwassenen trekt, is er iets aan de hand met dit kind – en met die volwassenen. Het kind en de volwassenwordende waren nooit zo veilig als toen er geen psychologie van de jeugd bestond. Deze psychologie is de consequentie van een noodtoestand.
§5. De geforceerde uitweg
P105. Onze kinderen zijn laat met alles. … Met name past het kind niet meer in de school; het is er te kinderlijk voor. … Vergeleken bij vroeger is het onderwijs van nu gekenmerkt door [106] duidelijke infantilisatie.
P106. Vergelijken wij de boekjes van twintig, dertig jaar geleden met die van nu, dan zijn de eerste voorbeelden van stoere volwassenheid, het kind moest de behandelde stof maar begrijpen – en het kind begreep.
P109. De student, die geslaagd is voor zijn laatste examen … komt tot de ontdekking geenszins klaar te zijn voor de maatschappij. Er viel niets anders te verwachten. Verkinderlijkt het hoger onderwijs, dan zal de sprong van het in wezen kinderlijke naar het volwassene na dit onderwijs moeten komen.
P110. Occupational flexibility is de eigenschap van degene, die niet de eerste is in de verhouding arbeider-arbeid, maar de tweede. Het werk (deze anonieme en autonome grootheid) dringt de werker in een nooit eindigende onmondigheid. Wie onmondig is, heet onvolwassen. … Wie [als pupil onder het gezag van een opvoeder] staat, is onvolwassen. … adult education maakt van allen kinderen.
P111. Infantiliseert de volwassene, dan zullen ook de meest vanzelf sprekende, ik mag wel zeggen meest natuurlijke houdingen en handelingen onderricht moeten worden. … De eigenschap, waarmee de huidige volwassenheid haar onvolwassen aard bewijst, is haar aangepastheid. … Ware volwassenheid … is eerder gekenmerkt door onaangepastheid. Onaangepastheid in de zin van zelfstandigheid. … Men bepleit het team als vooruitgang … het kenmerkende echter van alle arbeid in teamverband ligt in de eerste plaats in het ontbreken van volle verantwoordelijkheid bij elk der [112] deelnemers. Niemand is verantwoordelijk. Niemand is de geheel volwassene.
P112. Handelen, weten en kennen onderstellen, dat men eerste is [in de relatie arbeider-arbeid]. De tweede eigenschap der huidige volwassenheid (aan de eerste zeer verwant) is haar conformisme.
P114. Het onderzoek ten behoeve van het al dan niet toelaten tot een bepaalde functie bedoelt de onderzochte niet te leren kennen, het probeert de onderzochte alleen gelijk te maken aan de arbeid van de functie, waarnaar de onderzochte solliciteerde. … Lukt dat niet, dan is hij waardeloos. … Het onderzoek zoekt mensen, die aan zichzelf gelijk blijven, zo mogelijk in alle omstandigheden – mensen, die testbaar zijn. … Wij zijn niet testbaar – wij worden testbaar gemaakt.
P116. Als de kinderen [in Samoa] van hun vierde of vijfde jaar al deelnemen aan de samenleving der volwassenen, is er geen enkele reden die ze noodzaakt een volwassenwording door te maken.
H3. Neurosen of sociosen
§1. De zin der symptomen
P125. Neurosenleer en psychotherapie … zijn geboren in de zomer van 1882 [… door de Weense huisarts José Breuer]
P129. Alle symptomen hebben inhoud. Wat raadselachtig was blijkt zin te hebben. Deze vaststelling: de symptomen hebben zin, voert gemakkelijk tot de these: alles heeft zin.
P130. De zin ligt zonder uitzonderingen in het verleden.
P135. Eerst neemt men zich uit de dingen terug, men dehumaniseert de dingen – en vindt het niet-humane, de natuurwet, die men echter, door zich terug te nemen, heeft mogelijk gemaakt.
P136. Zin verlenen is rust verschaffen De ontdekking, dat het symptoom van de zieke zin bevat, werd daarom zo snel tot pijler van een algemene, door velen gretig aanvaarde mensbeschouwing, omdat zij rust bevat. … Symptomen die zin hebben, verontrusten niet. … de zin ligt in het verleden … [Van de] bezitter [van symptomen] kon niet verwacht worden, dat hij [de zin ervan] kende. Voor de bezitter was de zin der verschijnselen onbekend of onbewust. Het woordje “of” is misleidend, het suggereert een vanzelfsprekende gelijkheid, terwijl deze hier ontbreekt.
P137. Het onbewuste van de neuroticus is te vinden bij de ander[, de psychotherapeut.] … Het onbewuste is een categorie van de ander (de betiteling “het onbewuste” is dan eigenlijk niet meer te handhaven). Maar juist dit inzicht diende vermeden te worden. De zin moest juist bij de zieke liggen, alleen dan houdt het symptoom op voor ons verontrustend te zijn. Echter, hoe is dat mogelijk: de zin berust bij de patiënt én bij de patiënt is de zin niet te vinden. … De ontdekking: “alle symptomen hebben zin” blijkt onverbiddelijk te voeren naar een tweede niet minder belangrijke ontdekking: de ontdekking, dat de zieke naast bewuste redenen van zijn ziekte ook en vooral onbewuste bezit.
P146. Wordt het verleden niet in feite genoodzaakt te praten, altijd te praten, wanneer de regel: alles heeft zin geen uitzondering mag hebben? … [het verleden moest] “zin” produceren […]. Freud had [omstreeks 1900] kunnen zeggen: de patiënten zijn kennelijk niet ziek aan het verleden, zij zijn ziek aan het heden – want het heden port het verleden tot onoirbaarheden …[.] Adler heeft dit als eerste gezien … Jung was de tweede die het opmerkte.
P147. Wie uit principe zijn toevlucht neemt tot het verleden, zal genoodzaakt worden steeds verder in dit verleden terug te schrijden.
§2. De Victoriaanse vrouw
§3. Het onbewuste als bewijs van een andere samenleving
P172. Ik kan beter zeggen: niemand weet, waar zich de ware rails bevinden, niemand kan zeggen of hijzelf op het goede spoor staat. Er is eigenlijk in het geheel geen “juist spoor” te ontdekken, noch in het bestaan dat men zelf voert, noch in dat van een ander. … De samenleving is ziek, dat is primair; pas in de tweede plaats zijn er ook neurotische patiënten. Dat zijn zij, die deze ziekte niet verdroegen, de gedecompenseerden. Het verschil tussen de neurotici en de anderen bestaat hierin, dat de neurotici bezweken, terwijl de anderen zich staande hielden.
P173. In 1897 schrijft Durkheim in een studie over zelfmoord, dat de samenleving in een toestand van “norm-loosheid” is geraakt, zij lijdt aan anomie. Als gevolg daarvan “reguleert” de samenleving de enkeling onvoldoende, zij bindt hem niet; de groepen, waartoe hij behoort, vallen uiteen. … Een onderzoek, verricht in opdracht van UNESCO [The community factor in modern technology, 1952], maakte duidelijk, dat een gezonde samenleving gekenmerkt is door deze vier eigenschappen: 1. Alle aspecten van het leven horen bijeen. Dat wil zeggen: in een ontspannen samenleving bestaat geen hiaat tussen werk en ontspanning, ernst en spel, werk en geloof, geloof en lust, leven en dood, jeugd en volwassenheid. Alles is samengebonden in één coherent geheel, nergens scheuren. Niets staat apart. 2. Iedereen behoort “automatisch” tot de gemeenschap van allen. Niemand staat alleen, Niemand krijgt daartoe de gelegenheid, ook niet in een bepaalde fase van zijn leven. Men hoort er vanzelfsprekend bij, zonder dwang. 3. Alle veranderingen in de samenleving zijn langzame [174] veranderingen. Zo langzaam, dat ze niet opvallen, niemand bespeurt ze als het ware. Zo stabiel is het leven, dat de voorouders “vanzelfsprekend“ hetzelfde leven leefden en dat de kinderen en kleinkinderen even vanzelfsprekend in hetzelfde bestaan zullen terechtkomen. 4. Alle belangrijke groepen, waartoe de enkeling behoort, zijn klein. Is aan deze vier kenmerken niet voldaan, dan ontstaat wat de auteurs noemen social sickness [… De westerse samenleving voldoet aan geen van de vier kenmerken.]
P176. Een uiterste gereserveerdheid [in onze contacten] waarborgt een zekere veiligheid. [… Nav gedicht van T.S. Eliot, The cocktailparty, p60] Het is waar, vrijwel iedereen is ons een vreemde, het is goed zich dat te realiseren.
P177. Het contact tussen de mensen is nooit een “blind” contact, een contact “zomaar”, een contact “van persoon tot persoon”. Van persoon tot persoon is er niets. Twee mensen hebben uitsluitend contact wanneer zij iets gemeen hebben, met de klemtoon op iets. Iets in gedachte of iets in concreto.
P178. Zelfs de ontspanning wordt buitenshuis gezocht. De gezinnen, waar men nog feest kan vieren, zijn schaars. De gewoonte om bij familiebijeenkomsten samen te zingen … is gestorven in het achtergrondlawaai van een kakelend of jengelend instrument, dat zich sedert kort ook nog siert met een alle activiteit dodende blikvanger.
P182. Zo zijn wij allen niet onszelf, er is eigenlijk geen sprake meer van een zelf: wij zijn legio, evenveel zelven realiseren zich in elk onzer als er groepen zijn, waartoe wij behoren. [… Dr. Jekyll en Mr. Hyde, novelle uit 1886 [zelfde tijdvak als Breuer en Freud!], … Dr. Jekyll is aanwezig, Mr. Hyde is in meervoud afwezig, zijn afwezigheid spookt in de ruimte, waarin Dr. Jekyll zich zo vrijelijk meent te bewegen.]
P183. … in de loop van de [19 e eeuw] raakt de samenleving in een staat van anomie (Durkheim).
P187. Elke verdringing vraagt om een verdringer, een verdringende instantie. Het is niet duidelijk welke instantie van de enkeling bezwaren koestert tegen niet-suspecte sectoren.
P189. Het onbewuste is de index van nabijheid of verte in het contact met anderen. [definitie van vdBerg]
P195.[Personage] Emma Bovary verkoos een voze verbeelding boven de teleurstellende realiteit – die desondanks haar realiteit bleef – en ging aan haar voorkeur ten gronde. Madame Bovary [1857] werd daarom de belangrijkste roman van de vorige eeuw, omdat de kwaal van Emma Bovary de kwaal van vrijwel iedereen was. … De leuze “vrijheid” [Franse revolutie], hoe zoet zij ook in de oren klinkt – en hoe noodzakelijk zij ook was aan het einde van de 18 e eeuw – is als nauwelijks één leuze in staat bestaansstructuren op te blazen.
P197. Rilke en het pluralisme [Als Rilke bij een psychotherapeut merkt] wat de behandeling verlangt en beoogt, trekt hij zich terug met de gedenkwaardige woorden dat, wanneer de duivels uit hem dienden te verdwijnen, hij bevreesd is, dat ook zijn engelen verschrikt zullen worden. … [Rilke:] maak mij niet uniform, want de eenvormigheid spaart het gebied niet, dat zij omvat, maar doodt het. … Want volwassenheid betekent (thans): leven in meervoud. Het is eenvoudig ongeoorloofd het kind de innerlijke tegenstrijdigheid te ontzeggen. [198] De 20e-eeuwer leeft daarmee stellig moeilijker dan (bijvoorbeeld) de 18e-eeuwer, hij leeft echter ook intenser, “bewuster“ en vollediger.
P198. … de neurotici der pluraliteit, zij ontstonden in de 19 e eeuw.
P199. In [Karen Horney] haar werk The neurotic personality of our time [1937] bespreekt zij deze drie belangrijke factoren: [200] 1. De moderne samenleving is gekenmerkt door een blijvende competitie, die van iedereen iedereens vijand maakt. Tegelijk stelt de samenleving de eis beminnelijk en voorkomend te zijn. 2. De moderne samenleving is gekenmerkt door het aanwakkeren van alle behoeften en het stichten van steeds nieuwe. Tegelijk is de mogelijkheid deze behoeften te bevredigen, beperkt. 3. De moderne samenleving is gekenmerkt door een voortdurende en emfatische onderstreping der individuele vrijheid en door de onvrijheid van iedereen. De samenleving houdt ons aan alle kanten gevangen – en roept ons tegelijk in het oor, dat wij doen kunnen wat wij willen. –
P201. … sociosen [ipv neurosen]: niet-anatomische, niet-fysiologische stoornissen van communicatieve of sociogene aard.
H4. Het wonder
P202. Het moet Descartes goed gelukt zijn, toen hij God aan het begin van de gebeurtenissen neerzette en zei: zo hoort het. Er zal veel kracht gescholen hebben in de oratie, waarin hij iedereen – en dus ook God – bewees, dat daar de ware plaats was, daar, aan het begin der dingen. God is er gebleven.
P204. Ik … vraag de lezer verlof mij te gedragen als een modern mens, die van God niet weet, zich niettemin verbaast over het wonder, en zoekt naar een verduidelijking. [meerdere pogingen volgen hierna]
P205. Maar meestal wachten de dingen op onze intentie, zij zijn willig, wij hebben de vrijheid van ze te maken wat wij wensen – al maken wij van deze vrijheid weinig gebruik. – Hier voor mij ligt een stompje potlood … Aan de ene kant is een onbeholpen punt gesneden, de andere kant [is] stuk gekloven. Aan mij de keuze, wat ik van dit stukje potlood maak.
P206. De eerste poging De variabiliteit van het waargenomene typeert ons bestaan. Dit is de zin van het paradijsverhaal: dat de mens de vrijheid ontving in elk ding duizenden dingen te zien. … de sprong naar de gedifferentieerde waarneming is de sprong naar licht en duister, naar geluk en ongeluk, naar geloof en ongeloof; een bevordering en een degradatie, een gelijk worden aan God en een oneindige verwijdering van hem. … Geloof onderstelt een breuk met God, men kan uitsluitend hopen op Gods nabijheid en zijn gehele leven daarop instellen als men uitgaat van zijn verte. De tweede poging
P207. Nooit leven wij met een “complete” wereld, de wereld zoals deze bijvoorbeeld op een foto wordt afgebeeld; wij leven steeds met een ijl netwerk daarvan, het meeste verdwijnt door de mazen. … Niemand heeft hetzelfde inzicht (dat is de transformatie) en aangezien woorden luid geworden inzicht zijn, ligt het misverstand voor de deur – [208] om precies te zijn voor de deur, die het paradijs van onze wereld scheidt.
P208. Wil men met iemand zijn, dan is het nodig, dat men met hem ziet en met hem hoort. … De gelovige wil met God zijn. Hij zoekt Gods zicht en luistert naar Gods woorden. In de beeldspraak van [een netwerk] betekent dit, dat hij het net tracht te ontwaren, dat God wierp (en werpt). Een bijzonder net. Misschien in het geheel geen net, maar datgene, waarover alle netten geworpen worden. Wie zal het zeggen. … Als de gelovige Gods net ontwaart, ziet het dan het wonder? Is dit het wonder: Gods net? De derde poging
P209. … in het wonder [het voorbeeld over een kind dat een dal ziet volstromen met liefde en met geluk] schuift God de menselijke wereld terzijde, hij verplettert plaatselijk de menselijke wereld, die volgens essentieel andere wetten en in essentieel andere zingevingen verloopt als zijn sacrale, “bovenmenselijke”, goddelijke wereld.
P210. [De moderne mens] heeft geen behoefte aan het wonder, de gaarheid van zijn natuurbeeld verdraagt zich niet met het geloof in niet-natuurlijke of on-natuurlijke voorvallen. … Alles heeft [voor de moderne mens] zo zijn uitleg. Wat een uitleg derft, bestaat niet. … Wij zagen als kind de zee, geen foto kan dit ogenblik weergeven.
P211. Wie zegt, dat het wonder een niet-humane, maar extra-humane, “sacrale” aangelegenheid is, heeft het wonder op zo grote afstand geplaatst, dat hij zich geen zorgen hoeft te maken over een ontijdige terugkeer, die hem overigens als ongeoorloofd voorkomt. Hij heeft het wonder tot attribuut van God gemaakt – terwijl het een attribuut van mensen is. God gelooft niet. Geloven is onze zaak; wij geloven, in ons geloof wordt God aanwezig – … in onze wereld. Geven de dingen van zijn aanwezigheid blijk, dan geschiedt een wonder. … De dingen zullen dat nooit lukraak doen. … Als God zichtbaar wordt, heeft dat zin. Zijn zichtbaarheid is de zin van het nabijkomen van mens tot mens. Een ander nabijkomen is er niet.
P212. In [het] (overvloedige) samenzijn werd alles overvloedig, men hield zelfs over.
P213. Wonderen hebben een gezonde aard, het verschil tussen wonderen en [de] mythologische mirakelen [uit sprookjes] ligt hierin, dat de wonderen ons een macht tonen, die niet vreemd is aan onze wereld.
P214. [In de werkelijkheid der natuurwetenschappen is] God zo ver uit de werkelijkheid weggeduwd, dat het God eenvoudig onmogelijk wordt daarin nog te verschijnen. … Het geloof in het mirakel is het geloof in de natuurwetenschappen.
P217. Ons geloof is de voorwaarde van het wonder.
P218. Geloven wij in de nabijheid van God – dit is: geloven wij in de nabijheid der mensen – dan is het wonder aanwezig
P221. Want God kan het [hedentendage] niet meer. … Wil men soms zeggen, dat hij het wel kan, maar niet wil? Dat bedoel ik, toen ik sprak van een godslastering. Hij kan het niet. Wij hebben het hem onmogelijk gemaakt. Hij heeft als het ware afscheid genomen en gezegd: als ik er dan niet meer bijhoor, moeten jullie het zelf maar doen – ik blijf erbuiten. Vandaar, dat ons “doen” [het doen van: “wij geloven in elkaar – en zeggen, dat daarbuiten geen geloof bestaat”] zo lukt. Vandaar dat wonderen niet meer voorkomen. Zij kwamen voor.
H5. Het subject en zijn landschap
P222. De theorie der projectie lost het raadsel van het wonder met enkele zinnen op. Met deze zinnen: Wie wonderen ziet, meent iets te zien, in werkelijkheid ziet hij niets. Hij ziet alleen zijn innerlijk, dat is: een zich in zijn ziel afspelend gebeuren … [het lukt hem niet meer] het zo gestichte buiten te ontmaskeren als binnen. … Wie wonderen ziet, heeft een tekort, hem ontbreekt iets, hij zoekt het ontbrekende aan te vullen, verzint een aanvulling en werpt zijn verzinsel met kracht naar buiten.
P223. De projectieleer suggereert begrip, terwijl begrip nergens zozeer afwezig is als in haar verbanden. Niemand begrijpt deze verbanden – die niettemin door iedereen gebruikt worden. … Dit hoofdstuk beoogt de lezer een antwoord te geven op de vraag, waarom de projectieleer een noodzakelijke leer is.
P225. … wij leven ruimtelijk, er is [in ons] geen psychische, ja zelfs geen spirituele aangelegenheid te vinden, die zich niet ruimtelijk, dat is in een ruimte voltrekt. … [Ons is één antwoord bijgebracht] De herinneringen, die [iemand] terugvond, lagen in zijn hersenen. Hij kon er [eerst] niet bij komen. Toen hij ze [bijvoorbeeld via aanraking van een muur] terugvond, had hij toegang.
P226. De cerebraal beschadigde … kan zich wel herinneren, maar zijn hersenen doen niet mee, zij weigeren hun (geringe, maar onmisbare) dienst.
P228. [De persoon slaagt] er niet in langs introspectieve weg de herinnering te ontdekken, die [hem bij aanraking van de muur] overrompelde
P229. [De heersende visie:] Het menselijke zit in ons, het zit nergens anders, de wereld is door niets menselijks verontreinigd. Zij lijkt daarmee verontreinigd, de projectietheorie maakt de verontreinigingen tot wat zij zijn: mis-plaatste sentimenten. … Werd de projectietheorie uitgevonden om een voor iedereen geldende identiteit van de wereld te waarborgen, juister wellicht: om een toenemende subjectiviteit van de wereld paal en perk te stellen?
P236. [Anno 1956:] Niemand praat over zijn innerlijk.
P237. Wat bewaard moet worden, is de verstandhouding, die ligt in de woorden van de metselaar tot zijn opperman: “Geef me die steen eens aan”. De steen van de metselaar is de steen van de opperman. … Wij geloven alleen – uit zelfbehoud – in één steen, de armste, de gemakkelijkste, de minst gevaarlijke; de rest heet – uit zelfbehoud – projectie. Wij zijn gedwongen te geloven in de steen, die nog net toestaat, dat wij ons één voelen. De steen, die tot dit één-voelen zelfs is uitgevonden. … [Een psychiatrische patiënt] projecteert, zeggen wij daarom, wat hij ziet is persoonlijke onreinheid, de steen [staat voor: de dingen van ons, gezonden] is niet verontreinigd, het lijkt maar zo. … [Als de zieke volhoudt dat er niets is, [238] zeggen wij]: dan is het onbewust.
P238. [De zieke zijn] kwaal van te wonen in een individuele, uiterst eenzame wereld. … Het innerlijk werd noodzakelijk toen de contacten devalueerden. … het verschil tussen de Confessiones van Augustinus en de Confessions van Rousseau. … Terwijl Augustinus in de overtuiging dat het binnendringen in zichzelf een aspect is van de omgang met God, wil spreken over God en niet over [239] zichzelf, zoekt Rousseau het “zelf” van de enkeling, het “zelf” dat om zichzelf belangrijk is.
P239. Zou het mogelijk zijn de geboortedatum van het innerlijk met groter nauwkeurigheid aan te geven? … De betekenis van Luther in de verpersoonlijking en onzichtbaarmaking van het geloofsleven. … In zijn geschrift Von der Freiheit eines Christenmenschen [240] (1520) maakt Luther een onderscheiding, die van bijzondere betekenis werd. Hij onderscheidt de innerlijke mens … van de uiterlijke en lichamelijke. … Het uiterlijk leerde hij kennen als schijn en bedrog.
P241. In ieder geval heeft de 19 e eeuw de verinnerlijking van het geloof steeds meer ernstig genomen.
P242. [De woorden van Luther] “Alles wat er verder gezegd wordt” bestempelen wij als projectie, omdat wij de dingen als blijken van verstandhouding niet willen noch kunnen missen. Bevreesd voor een nieuwe spraakverwarring schroeven wij de dingen terug tot hun uiterste armoede. … In het jaar [1520] … stierf Da Vinci. … [De glimlach van Mona Lisa] verzegelt een innerlijk.
P243. Mona Lisa bergt het bekende, en zij verbergt het.
P244. Het innerlijk, dat bij Rousseau nog een eenvoudig, matig gevuld, “luchtige” ruimte was, werd voller en voller. … Het innerlijk was een spookhuis. Maar kon het anders? Het innerlijk bevatte alles.
P245. Pas na Rousseau werden de Alpen een gebied van toerisme. Alle eeuwen daarvoor waren de Alpen niet meer dan een hindernis.
Epiloog
P250. De historische personen handelen, zij worden niet gedreven. De loop der dingen ligt in de handen van enkele vermetelen. Geschiedenis is geschiedenis van groten, van grote beslissers – zij zijn tegelijk de grote verantwoordelijken.