Citaten uit het boek Filosofie en spiritualiteit

Dankzij dit boek van Koo van der Wal begrijp ik beter waarom de moderne filosofie is zoals ze is. De hoofdstroom in onze samenleving is op het uiterlijke gericht en daar gaat een groot deel van de filosofie in mee. Koo van der Wal is hier een prettige uitzondering op. Verhelderend hoe hij over de grondslagencrisis in de filosofie praat, daardoor snapte ik waarom Christina von Dreien me zo raakt. Zij komt met zo’n pakkende uitleg, waarna er voor mij (voorlopig?) geen grondslagencrisis meer is. Ik zal aan de hand van enkele zinsneden uitleggen waarom zijn uitleg me minder raakt dan die van Christina.

Hij noemt in hoofdstuk 6 liefde een toegiftverschijnsel, welke vraagt om een houding van zich open stellen. Zelf ervaar ik hoe belangrijk kiezen voor liefde is. De goddelijke bron van liefde, of welke andere omschrijving je aanspreekt, respecteert onze vrije wil en zal zich dus niet ongevraagd opdringen. Voor iedereen is dit grootse hulpmiddel te allen tijde beschikbaar, het is aan ons ervoor te kiezen. Met dank aan Christina voor dit inzicht en zelf pluk ik inmiddels de vruchten ervan.

Verder noemt Koo regelmatig het begrip wijsheid. In hoofdstuk 9 oppert hij wijsheid te omschrijven als een inzicht in verdiepte vormen van menszijn dat sturing biedt aan het leven in al zijn aspecten. Hij gebruikt ook de woorden theorie en praktijk. Bij wijsheid is er geen onderscheid tussen beide woorden. Christina zou zeggen: volg je hart, je eigen liefdevolle richtingaanwijzer. Het woord wijsheid gebruikt ze weinig, misschien omdat het zo synoniem is aan onvoorwaardelijke liefde. Ze praat meer over onze mate van bewustzijn, over onze trillingsfrequentie. In die richting praat Koo over kritische drempels bij toenemende complexiteit. Meer het taalgebruik van een toeschouwer.

Het volgen van ons hart staat zo haaks op de uiterlijke gerichtheid in onze samenleving. En niet alleen dat. Instituten als wetenschap en kerk verliezen hiermee hun sturende waarde. Liefde en waarheid vinden we in ons hart, daar vinden we onze richtingaanwijzer. Los daarvan kunnen we ons laten inspireren door wat anderen vertellen of hoe ze zich gedragen. De natuur kan ook een inspiratiebron voor ons zijn, daar zijn de Indianen een goed voorbeeld in. Inspirerend dat Koo hun wijze van leven (en praten!) aandacht heeft gegeven. Voor hen is alles een verschijningsvorm van het Grote Mysterieuze. Ik proef duidelijk hoe verwant Koo zich hiermee voelt. Toch gaat hij niet zover om ons goddelijke wezens te noemen. Alsof de wetenschapper in hem daar nog tegenaan hikt.

Door Koo zijn verhaal ga ik losser met onze woorden om. In hoofdstuk 5 haalt hij het proefschrift van Cornelis Verhoeven aan dat gaat over de symboliek van de voet. Gewone dingen zijn bij nader toezien allerminst ‘doodgewoon’, integendeel, steeds opnieuw blijken zij onverwachte en verrassende aspecten voor ons in petto te hebben. Dat inzicht neem ik graag mee: openstaan voor onbekende dimensies van een verschijnsel.

Verder valt het me op dat Koo aan gnosis een andere uitleg geeft dan Bram Moerland. Koo legt het uit als rechte kennis en Bram noemt het innerlijk weten. Sowieso noemt Koo regelmatig de mystiek en nauwelijks de gnostiek en in Bram zijn boeken is gnostiek het centrale thema. Daarom voel ik me meer thuis bij Bram zijn uitleg.

Hoe dan ook, dank aan Koo voor het toegankelijk maken van het terrein en de historie van de filosofie. Veel leesplezier verder en misschien inspireren de citaten je om zijn boek erbij te pakken.

Inleiding. Schuivende panelen

P8. [Niet weinigen] leven eenvoudig het leven van alledag, van werk en plezierig doorgebrachte vrije tijd, zonder behoefte te hebben aan diepere bezinning – misschien ook uit een soort vrees dat dat het leven wel eens moeilijker zou kunnen maken en hen met lastige vragen zou kunnen confronteren.

P9. Sinds haar ontstaan heeft de filosofie zich op dat ‘meer’ [: er is meer dan de gewone werkelijkheid van alledag] bezonnen. Steeds is zij niet bij de oppervlakte van de verschijnselen blijven staan, maar heeft zij daarachter naar de diepere aard van de dingen teruggevraagd. Zo heeft zij de natuurlijke werkelijkheid op haar fundamentele kenmerken proberen te peilen (wat is materie, leven, licht ‘nu eigenlijk‘?), maar eveneens getracht de essentie van de morele en politieke fenomenen te achterhalen (wat is vrijheid, rechtvaardigheid, democratie enz. ‘nu eigenlijk’?). Datzelfde heeft zij ook met de grondprincipes van ons kennen gedaan (wat is waarheid, geldigheid, rationaliteit ‘nu eigenlijk’?). Die vraag, wat de verschijnselen naar hun aard ‘nu eigenlijk’ zijn, zou men als de filosofische vraag bij uitstek kunnen beschouwen. … Filosofie, kortom, is geboren uit het besef dat de dingen niet bleken te zijn wat ze leken te zijn – Plato en Aristoteles spreken in dat verband van verwondering, maar het heeft vaak meer iets van bevreemding of zelfs verbijstering.

P10. Tussen filosofie en spiritualiteit bestaat zo gezien een duidelijke affiniteit (zonder overigens samen te vallen), omdat beide zich op de verdieping en verheffing van het menselijk bestaan richten. De filosofie, ofwel met de Nederlandse aanduiding ‘wijs-begeerte’, ontleent daaraan zelfs haar naam: liefde voor of verlangen naar wijsheid. Dan zou men dus verwachten dat er van de kant van de filosofie ruimschoots aandacht voor het fenomeen van de spiritualiteit zou zijn. Dat blijkt echter geenszins het geval te zijn, in ieder geval niet voor de hoofdstroom van de moderne en hedendaagse wijsbegeerte.

P11. Welnu, de filosofie van de moderne periode is de filosofie van het gewone leven, van de manier van denken en ervaren die daar heerst. … Vandaar dat de moderne filosofie de metafysica, het denken over datgene wat voorbij de directe zintuiglijke ervaring ligt (zoals God of de ziel), vaarwel heeft gezegd. En dat zij zich sterk oriënteert aan de moderne wetenschap, vooral de natuurwetenschap, als de methodische verkenning van de zintuiglijk toegankelijke werkelijkheid. … Blikvanger van [de moderne filosofie] is de Verlichting met haar overtuiging (‘geloof’) dat met behulp van de rede de gehele werkelijkheid in kaart gebracht en transparant gemaakt kan worden.

P12. Achtereenvolgens werden God, de mens, de kunst, de politiek, de utopie etc. dood verklaard en zijn wij op die manier met een geestelijk en sociaal maanlandschap achtergebleven, waarin nog maar moeilijk te leven en te ademen valt. … Door zich op die manier overwegend met kritiek te identificeren, oorspronkelijk in de mening dat de positieve richting wijzende ideeën dan ‘vanzelf’ wel zouden verschijnen en later zelfs dat niet meer, heeft de moderne filosofie zich ver van haar oorsprongen verwijderd. Van haar gerichtheid op wijsheid is weinig overgebleven, terwijl het daar steeds wel om te doen was. … Steeds terugkerend thema van de filosofiegeschiedenis is dan ook de verbinding van weten en niet-weten, een ‘docta ignorantia’.

P13. Beide momenten, het weten en het niet-weten, ofwel het visionaire en het kritische moment, zijn dus in de filosofie (nogmaals naar haar oorspronkelijke bedoeling) verdisconteerd. … De urgentie van het [natuur- en milieu]probleem zou daartegenover aanleiding moeten zijn een nieuwe filosofische kijk op de natuur te ontwikkelen, waarbinnen de mens opnieuw zijn plaats toegewezen krijgt, met alle implicaties van dien. … De invalshoek [van dit boek] is dus wat vanuit de filosofie (als kritisch wijsheidsstreven opgevat) over spiritualiteit te zeggen valt. … Waarbij de vraag dus is of filosofie zelf een spirituele dimensie kan hebben en hoe dat eventueel te denken is.

P14. De gedachtegang in dit boek is opgehangen aan twee hoofdvragen: 1. Hoe staat de filosofie tegenover het spirituele verschijnsel, welke duiding geeft zij ervan? [= kritisch moment, weten, [87:] toeschouwersperspectief] 2. Bezit de filosofie zelf een spirituele dimensie? [= visionair moment, niet-weten] [87: heeft zij niet alleen een uiterlijke maar ook een innerlijke relatie tot het spirituele fenomeen?]

H1. Spiritualiteit

P17. [Spiritualiteit:] … het is een manier van leven die vanuit een visie wordt aangestuurd en zo aan het bestaan een verdiepte waarde geeft. Of ook dat het om een levensconcept gaat dat men zich innerlijk eigen gemaakt heeft en nu in de vorm van een bepaalde levenshouding praktiseert.

P18. … moderniseringsproces … ‘onttovering van de wereld’ … een onomkeerbaar proces van verlies van het mysterieuze karakter van de werkelijkheid, een toestand waarin geen geheimen meer bestaan en alles berekenbaar en maakbaar geworden is, in beginsel althans [van Max Weber] … secularisering … Terwijl onder religieus gezichtspunt de werkelijkheid een bezield verband is waarin alles door hogere machten zinvol geordend is (uiteindelijk althans), is het moderniseringsproces gekenmerkt door een onstuitbare verzakelijking en rationalisering, door een onherstelbaar verlies van zin en oriëntatie op het ‘hogere’ en ideale.

P20. Spiritualiteit is dan de weigering … om de onttovering … van het bestaan als een onontkoombaar noodlot te aanvaarden. Dat zou uiteraard een vorm van zelfbegoocheling kunnen zijn, een leven uit zelfgecreëerde illusie.

P22. Datzelfde motief, dat het gaat om een aangesproken worden op diepere lagen van ervaring, leidt er dan steeds weer toe om van een spirituele dimensie van de kunst te spreken.

P23. In de gedachtengang van dit boek is religie een bepaalde gestileerde vorm van spiritualiteit op basis van een eigen specifiek verhaal over mens en wereld.

P24. Uit deze eng en steriel geworden ervaringswereld uit te breken en weer gevoelig te maken voor veronachtzaamde dimensies van de ervaring is naar haar [Andreas Burnier] oordeel (terecht lijkt mij) de onderneming van de genoemde en andere schilders. … Steeds hetzelfde motief dus dat de muziek het vermogen heeft om ons boven de alledaagse werkelijkheid uit te tillen en een vermoeden te wekken van ‘hogere’ werkelijkheidsdimensies.

P30. “In het expressionisme”, zo schrijft Kurt Hübner in zijn grandioze boek Die Wahrheit des Mythos, “explodeert die onderdrukte en bedolven kant van de moderne mens, waarmee hij nooit opgehouden heeft het numineuze te ervaren en in de mysteriën van de liefde, de geboorte, de dood, de zon, het licht, de nacht en de dag het goddelijke te ontmoeten.”

P31. Bij [symbolisme en expressionisme] gaat het om het weer tot klinken brengen van de muziek van de taal die zo een diepere werkelijkheid achter de façade van het alledaagse doet oplichten.

P33. En de filosofie van de moderne tijd, althans in haar hoofdstroom, kan als het project beschouwd worden om de nieuwe kijk op de werkelijkheid [van middeleeuws feodaal-agrarisch naar burgerlijk-urbaan], mens en samenleving begripsmatig op formule te brengen en systematisch te doordenken. … De geschiedenis, ook die van het denken, vertoont zelden scherpe breuklijnen. Veranderingen van denkpatronen voltrekken zich niet van de ene dag op de andere.

P34. Misschien kan de ontwikkeling van premodern-klassiek naar modern … het bondigst samengevat worden als het loskoppelen van realiteit en idealiteit. … Wat in [de klassieke filosofie (waar het werkelijke en ideële samenvallen)] verklaard moet worden is: hoe dwaling mogelijk is, waar het kwaad, de disharmonie en het conflict, de absurditeit en contingentie vandaan komen, enz. … Alle sleutelbegrippen van het klassieke filosofische discours (waarheid, goedheid, schoonheid, harmonie, heelheid, algemeen belang, onaantastbare waarden als humaniteit en waardigheid, het verhevene, nobele, onbaatzuchtigheid, integriteit, objectiviteit, respect voor het mysterie van de werkelijkheid) – al deze begrippen hebben in de moderne filosofie (en samenleving) een sterke koersdaling doorgemaakt, als ze al niet helemaal waardeloos geworden en de één na de ander uit de handel zijn [35] genomen. Het duidelijkst is dat vanzelfsprekend het geval met de idee van God of het goddelijke, in het klassieke denken hét knooppunt en symbool van de ideële dimensie van de werkelijkheid.

P35. … het … postmodernisme is ronduit allergisch … voor termen als waarheid, schoonheid, totaliteit, enz. en spreken over God of het goddelijke is al helemaal buitenissig en ‘not done’. … Met de loskoppeling van het werkelijke en het ideële gaat … de wind in de filosofie 180 graden om. Van een aangename bries wordt hij een gure en schrale wind die uit de hoek van het niet-ideële komt en het geestelijk landschap ingrijpend veranderd heeft. … Het is dan ook geen toeval dat … er in de moderne cultuur een fascinatie voor het harde bestaat […] … een werkelijkheid die … of puur feitelijk is, … of belanghebbend, … of voortkomt uit [36] driftmatigheid … of bepaald door macht.

P36. [De strekking van de kritiek van de moderne filosofie is dus steeds dat de ideële dimensies van onze ervaringswerkelijkheid …] de façade [zijn] van een geheel andere, aanmerkelijk minder fraaie en nobele werkelijkheid, die door goedgelovigheid, hypocrisie of een vals bewustzijn worden gecamoufleerd. De dingen zijn dus niet wat ze lijken. Al het waardevolle heeft een bedenkelijke achterkant […] Geen wonder dat de zo verstane [moderne] filosofie om het zwak te zeggen geen antenne heeft voor zoiets als spiritualiteit.

P37. Ik citeerde eerder Yehudi Menuhin dat zingen in tegenstelling tot spreken de eigenlijke moedertaal van de mens is. … [filosoof Vico:] … dat niet proza maar poëzie de oorspronkelijke taal van de mens is

P38. [metafoor:] … is beeldend taalgebruik juist de eigenlijke manier om uitdrukking te geven aan een kwalitatief rijke werkelijkheid. … het prozaïsche, zogenaamd letterlijk en wetenschappelijk spreken dat juist een afgeleide is van de poëtische wijze van uitdrukken – een ‘ontdichterlijking’ … van een werkelijkheid die in zichzelf ‘dichterlijk’ is.

P40. … religie en spiritualiteit [hebben] een mystieke kern … bij mystiek denken we toch allereerst aan een besef van één zijn met een diepere werkelijkheid. … poëzie [kan] als de verschijningsvorm van mystieke ervaring … worden beschouwd.

P42. Bij alle genoemde kunststromingen en beschouwingen draait het steeds om hetzelfde: sensitief te maken voor het meer dan gewone in de ervaring van de werkelijkheid, met andere ogen leren kijken, met andere oren leren horen, in andere categorieën leren denken.

P43. [De hoogste vreugde van de wetenschap is] die van contemplatie, een flitsmatig inzicht in de diepten van de werkelijkheid.

P44. [Duitse kernfysicus Hans-Peter Dürr:] De ervaring van het raadselachtige (…) heeft ook de religie voortgebracht.

P47. Centraal in het werk van [Adalbert] Stifter staat wat hij de ‘zachte wet’ (das sanfte Gesetz) noemt: de ordenende kracht die achter de façade van de waarneembare verschijnselen het gebeuren in natuur en samenleving aanstuurt.

H2. De filosofie: bezinning op achtergrondvragen

P49. Nu de filosofie. Het probleem daarmee is dat er onder filosofen nauwelijks een meer omstreden kwestie is dan die wat filosofie is en waar zij voor staat. … in de wetenschappen … bestaat er in het algemeen overeenstemming over [haar object en haar methoden]. Die omschrijving van het vakgebied is doorgaans gebaseerd op een voorwetenschappelijke common-sense-opvatting van relevante gemeenschappelijke kenmerken van een bepaald type fenomenen. Op die manier kennen wij processen in de zogeheten dode natuur als object toe aan de natuurkunde, dieren aan de zoölogie, getallen aan de aritmetica, macro-sociale processen aan de sociologie, enz. Deze overeenstemming … wordt … eenvoudig verondersteld, maar niet nader gefundeerd. Zij rust met andere woorden op een impliciete beslissing. Zodra zo’n nadere explicatie en fundering echter beproefd wordt, zodra gevraagd wordt wat een getal, wat leven, wat materie eigenlijk is, is de consensus verleden tijd. Maar juist met zulke vragen, die regelmatig in de loop van het wetenschappelijk proces opduiken en als het grondslagenonderzoek van de wetenschap te boek staan, houdt de filosofie zich bezig.

P50. De filosofie brengt … de grondslagencrisis … aan het licht. … [Het] ‘onmethodische’ karakter van de filosofie (dat een strakke lijn van argumenteren allerminst uitsluit) hangt direct samen met haar gerichtheid op het geheel van de werkelijkheid. Een methode is een ontsluitingsvorm die bij een bepaald type verschijnselen hoort. Daarom hanteren verschillende wetenschappen … verschillende methoden. … Uiteindelijk kan [de filosofie] niet anders dan die (gehele) werkelijkheid omcirkelen en onder steeds nieuwe invalshoeken viseren. Daarbij komt zij uiteindelijk uit bij de onuitputtelijkheid van de waarheid en mondt zij daarbij uit in de mystiek, een van de basale overtuigingen ook van dit boek. [zie ook Herman Berger].

P51. [De filosofie] poogt [bij een crisis in de wetenschap] dan een zo geordend mogelijke discussie over de omstreden kwesties te maken, … [De] religie (die de traditionele uitingsvorm van spiritualiteit is) is bij uitstek één van de domeinen waar een crisisbewustzijn de kop opgestoken heeft.

P52. Die vraag, in wat voor werkelijkheid wij eigenlijk leven, is zo gezien een poging tot verheldering over de eigen situatie in een wereld die haar vertrouwde gezicht heeft verloren. … Lang, in het overgrote deel van de mensheidsgeschiedenis …[een antwoord gezocht met behulp van mythen.] … De denkers waarmee wij in het algemeen de Griekse filosofie laten beginnen en die als de Jonische natuurfilosofen te boek staan … [gingen gebeurtenissen] opvatten als de uitkomst van anonieme natuurlijke krachten en processen.

P53. … metafysica (letterlijk: leer inzake datgene wat voorbij de zintuiglijk toegankelijke werkelijkheid ligt) … Het mag dan zijn dat er in de loop van de (vooral moderne) filosofie steeds meer scepsis gerezen is met betrekking tot de mogelijkheid van deze vorm van kennis.

P54. En het gelijk lijkt ook aan [Kant] zijn kant dat [metafysische] vragen eigenlijk de actieradius van ons op directe voorspelbaarheid ingestelde kenvermogen overschrijden. … Filosofieën zijn, zoals Hegel al opmerkte, “hun tijd in gedachten gevat”, ofwel uitdrukking van het geestesklimaat van een bepaalde tijd. Zij gaan daarmee impliciet uit van aannamen die in die tijd dermate ‘evident’ waren dat zij niet expliciet geformuleerd werden en zelfs niet konden worden. [55. … dat filosofieën iets uitstralen door het netwerk van hun ideeën en argumentaties heen, wat zij niet expliciet formuleren]

P56. Zoals Fichte schrijft: “Wat voor een filosofie men kiest hangt daarvan af wat voor mens men is.” … Scheler: … primaat van de liefde op kennis: echt kennen kan men alleen iets waarvoor men een diepe liefde heeft opgevat, niet andersom dat de liefde het kennen volgt maar daar inhoudelijk niets aan toevoegt … [Over Spinoza:] Wat dan vooral aan zijn werk geroemd wordt, is de rust en serene sfeer die zijn werk ademt. … [Over zijn boek Ethica met een beeld van een gesloten geheel:] Dat alles, doortrokken van de goddelijke intellectuele liefde waaraan alles op eigen wijze participeert.

P57. Zoals [Spinoza] schrijft: “Alles wat is, is in God en niets anders kan zonder God zijn noch begrepen worden.” Daarom kunnen wij ook zekere en adequate kennis van alles verwerven, omdat ons eindige intellect een eindige modus van Gods oneindig intellect is, God dus in feite in ons denkt. … [Het filosofische gedachtenstelsel van Spinoza] stoot door tot dimensies achter het expliciete argumenteren die, zolang men zich daartoe beperkt, buiten het gezichtsveld blijven.

P58. [Het existentiële aspect van de filosofie] … Het gaat in de filosofie dus niet om afstandelijke kennis waar ik verder voor de inrichting van mijn bestaan weinig of niets mee heb, maar om inzicht dat mij persoonlijk betreft, dat ik mij innerlijk eigen heb gemaakt en dat mij nu helpt mijn leven van binnenuit vorm te geven. … [wijs-begeerte:] zoeken naar inzicht waaruit geleefd kan worden.

H3. Filosofie als fenomenologie van de ervaring

P61. Filosofie heeft immers de pretentie een zo houdbaar mogelijke uitleg van het totaal van de menselijke ervaring te bieden. Alle filosofie is uiteindelijk fenomenologie, leer van de verschijnselen, uitleg van onze ervaring.

P65. [Vaclav Havel:] Ik zou zelfs kunnen zeggen dat ik [bij een eenheidservaring] ‘getroffen was door liefde’, al wist ik niet precies voor wie of voor wat.

P68. Steeds gaat het [bij ervaringen van spirituele aard] om het oplichten van bijzondere dimensies en potenties van de werkelijkheid dat glans en warmte aan het leven geeft en begeleid wordt door een diepe verwondering en een intense vreugde zoals ook steeds weer te horen valt.

H4. Categoriale analyse

P69. Eén van de functies van de filosofie is, zoals gezegd, de analyse en articulatie van de categoriale kaders ofwel de conceptuele structuren of denkschema’s waarbinnen wij op de verschillende terreinen denken en handelen. … De filosofie … opereert … vanuit de toeschouwerspositie,

P70. Door vele religiewetenschappers wordt het heilige als de centrale categorie van het religieuze domein beschouwd, zoals waarheid dat van het cognitieve domein (onder meer de wetenschap) is, schoonheid van de kunst en goedheid van de moraal.

P71. De term ‘heilig’ gaat terug op het germaanse woord ‘heiligaz’ dat eigen, specifiek, apart betekent. Het heilige is dus de aanduiding van een werkelijkheidsdomein van een heel bijzondere aard,

P75. [transcendentie:] Het gaat dan … om een werkelijkheid of werkelijkheidsdimensie die voorbij de horizon van onze gewone werkelijkheidservaring ligt, deze overstijgt.

P76. De vraag … is dus of het transcendentieconcept überhaupt een positieve inhoud heeft, of het de aanduiding van een bepaald iets is. … Aan alle versies van transcendentie-denken is kortom dezelfde strekking eigen: de horizon van onze ervaring en van de daarmee corresponderende werkelijkheidsopvatting open te houden.

P80. We verstaan [onder mystiek] een manier van denken, ervaren en leven vanuit de overtuiging dat de alledaagse werkelijkheid van de zintuigen en het ‘gezonde mensenverstand’ niet de laatste werkelijkheid (ultimate reality) is. Maar dat er ‘daarachter’, ‘daaronder’, ‘daarbinnen’ nog een diepere werkelijkheid schuilt. Een overtuiging die door talloze ervaringen wordt ondersteund, … [81] En omdat het een tijdelijke, voorbijgaande ervaring is, is de mystiek ook de poging die eenheidservaring, dat ultieme geluk van onderdompeling in die achterliggende diepere werkelijkheid, opnieuw te beleven.

P83. … ook de dieptestructuur [van mystiek] is dezelfde over de grenzen van culturen en religies heen. … Er valt m.i. veel voor te zeggen dat met mystiek het besef van de symboliciteit van de symbolen haar uiterste consequentie bereikt, het besef dus dat het symbool (ver) achterblijft bij de zaak waarnaar verwezen [84] wordt. Wat zo begrepen kan worden dat de mystiek het kernelement van alle religie vormt dat in alle religieuze voorstellingen en rituelen impliciet aanwezig is, alleen nog niet in alle duidelijkheid als zodanig herkend is. Terugkerend motief in alle getuigenissen van mystieke ervaringen is immers het besef van het onuitsprekelijke karakter ervan.

P86. Verder hebben we vastgesteld dat in de zogeheten spiltijd [800 – 200 v.C.] een cruciale bewustzijnsverandering is opgetreden, waarbij de naïeve houding ten opzichte van het sacrale en overstijgende wordt doorbroken. In die naïeve instelling worden de beeldende voorstellingen van dat boven-gewone voor adequate representaties daarvan gehouden. … Maar hoe ook, zo was mijn these, is dat besef van reflexiviteit, kritiek en van de symboliciteit van de symbolen bij de verschijnselen van religiositeit en spiritualiteit in verhoogde mate doorgetrokken.

H5. Filosofie en spiritualiteit: een blik op de traditie

P88. Denken is [bij de Grieken] dus een vorm van schouwen

P95. In de stoïsche kijk op de dingen doortrekt (of ‘doorwoont’, zoals zij zeggen) de logos als het goddelijke ordeningsbeginsel van de dingen het universum. Alles wat gebeurt heeft zo een goddelijk stempel, al lijkt het op het eerste gezicht toevallig en irrationeel. Door zich dat inzicht eigen te maken, kan de mens zich aan het door de goddelijke wereldwet bestuurde gebeuren conformeren en ‘apathie’, onverstoorbaarheid bereiken, het niet meer uit je evenwicht gebracht worden.

P98. [Nicolaus Cusanus:] Maar het hoogste goed van al ons denken is toch het kennen van God als het hoogste zijn en innerlijkste wezen der dingen.

P101. [Cornelis Verhoeven zijn proefschrift over de symboliek van de voet …] De gewone dingen zijn bij nader toezien dus allerminst ‘doodgewoon’, integendeel, steeds opnieuw blijken zij onverwachte en verrassende aspecten voor ons in petto te hebben. Als je je er maar voor open stelt.

H6. Filosofische godsdienstkritiek

P107. [De ‘omkering van de wereld’ in de moderne tijd …] Kortom, het ‘hogere’ wordt vanuit het ‘lagere’ geduid, het ideële vanuit het niet-ideële. … Eerder heb ik gezegd dat een kenmerk van de moderne tijd de ontkoppeling van realiteit en idealiteit is. …Religie, en spiritualiteit niet minder, leeft uit die oriëntatie op het ideële. Als die echter in de moderne tijd in steeds toenemende mate precair en problematisch wordt, dan verliezen religiositeit en spiritualiteit steeds meer de grond onder hun voeten.

P110. Ervaring is [in de moderne tijd] dus identiek met uiterlijke waarneming. [Vandaar de suggestie dat onze moderne cultuur zou lijden aan een min of meer systematische fenomeensverduistering.]

P111. En de these is dat het moderne ervaringsbegrip … reductionistisch is. Daarmee correspondeert dan uiteraard een gereduceerd of gehalveerd werkelijkheidsbeeld. … [Spaermann:] ‘domesticatie van de ervaring’ [: de ervaring is verschraald tot wat zich laat reproduceren binnen door ons bepaalde kaders]

P111/112. … de premoderne [denkwijze]: daar is de werkelijkheid een gegevenheid [112] met aan het denken voorgegeven kenmerken of essenties. Denken betekent daar de poging om te achterhalen hoe de dingen onafhankelijk van dat denken gebouwd zijn. … Correct denken is dan ook denken in overeenstemming met de realiteit, … Geheel anders het moderne rationaliteitsconcept. Hier gaan kennen en maken een interne relatie aan. Sterker nog: maakbaarheid wordt een criterium van kenbaarheid. Kant[: … “Want slechts datgene wat wij zelf kunnen maken, begrijpen we echt fundamenteel.”] … wat niet maakbaar is, is ook niet echt kenbaar. De moderne denkwijze is dan ook om alles onder het aspect van maakbaarheid te benaderen, in het vertrouwen dat alles, misschien nu nog niet maar in beginsel op termijn, maakbaar en construeerbaar is. … In filosofisch opzicht culmineerde deze zienswijze in de constitutiefilosofie van Kant [en anderen], waar de rede de werkelijkheid (althans naar haar ervaarbare vorm) schept en waar de voorwaarden van alle ervaring in het subject liggen, dat dus bepaalt hoe de werkelijkheid zal verschijnen.

P113. [J.H. van den Berg beschrijft een interessante illustratie van de genoemde versmalling van het ervaringsbegrip. Twee wetenschappers ontdekken in de 18 e eeuw een wonderbaarlijk wezen. De ene is gefascineerd door het wonderbaarlijke, de andere onderdrukt zijn aanvankelijke verwondering en snijdt de poliep in tweeën om te zien wat er dan gebeurt.] … in de wetenschap moet je je [over de verwondering] heen zetten: daar gaat er niet om wat men ziet, maar hoe men ziet, om de methode van observatie. … Wetenschappelijk waarnemen, kortom, is een vorm van intellectuele ascese, een les in onthouding, waarbij dimensies van de ervaring bewust buiten haken geplaatst worden. De wetenschapper dwingt zichzelf kortom om de werkelijkheid op een bepaalde, zeer beperkte wijzende te percipiëren. Die manier van waarnemen is [114] enerzijds zeer productief geweest, betekent anderzijds een sterke versmalling en verarming ervan.

P114. Maar eigenlijk ligt het besef dat de gehomogeniseerde ervaring niet het standaardtype is maar eerder een uitzonderingsgeval al opgesloten in de term ervaring zelf. Die term komt namelijk van varen, reizen, zich voortbewegen. Er-varen is dan: via het door de wereld reizen ondervinding opdoen, leren van wat men daarbij ziet, van wat iemand weder-vaart. Ervaren is kortom: met de werkelijkheid, vaak ongevraagd, geconfronteerd worden, je er door laten verwonderen (of misschien ook verbijsteren). … Daarnaast zijn wij bekend met een scala van [toegift]verschijnselen die niet doelgericht op te roepen zijn [geluk, vreugde, liefde, vriendschap, gezag, vertrouwen, authenticiteit, intimiteit, persoonlijke overtuigingen, etc.]

P115. [Kierkegaard: De deur naar geluk gaat slechts naar buiten toe open. Wie hem tracht te forceren, gooit hem alleen maar vaster in het slot.] … Hetzelfde geldt dan voor de andere bovengenoemde verschijnselen. … [Deze verschijnselen] vereisen daarom niet zozeer een activistische als [116] wel een receptieve instelling, een houding van zich open stellen voor niet geregistreerde ervaringen.

P116. Men kan dit thema ook nog als volgt benaderen: de door ons geregisseerde gedomesticeerde ervaring vereist dat de regisserende partij (experimentator, planner, enz.) [met een controlerende en experimentele instelling] zoveel mogelijk de eigen subjectiviteit uitschakelt. … Er wordt dus afgezien van iemands levens- en zelfervaring, van zijn emotionele besnaardheid, van zijn vermogen tot in- en meevoelen enz. Kennis kortom is hier onpersoonlijke informatie, die de ontvangende persoon grotendeels onberoerd laat en daarom ook relatief gemakkelijk overdraagbaar is.

P117. [De toegiftverschijnselen hebben] hun eigen specifieke waarheidsgehalte. Dat geldt ook voor de religieuze en spirituele ervaring – al zal de rechtmatigheid en plausibiliteit daarvan wel uitgewezen moeten worden.

P119. [(vroeg)moderne fysica:] De werkelijkheid is hier een ensemble van dode dingen zonder binnenkant en eigen streven, totaal inert waarbij alle gebeuren van buiten af in werking gesteld moet worden

P120. … dan zijn alle processen in feite fysische processen.

P121. Daarnaast is in wetenschappelijk opzicht de implicatie dat er uiteindelijk slechts één fundamentele wetenschap met één methode is: die van de fysica.

P121/122. Bijvoorbeeld is een centraal en wellicht [122] het centrale motief van Kants filosofie het redden van de moraal geweest in een volkomen deterministisch opgevatte natuur die voor zoiets als de moraal geen enkele ruimte laat. Die natuur kent in die visie immers alleen blinde gebeurtenissen, maar geen handelingen uit bedoelingen. In een in mechanistische termen begrepen universum is er kortom voor ons mensen zoals wij onszelf ervaren geen plaats.

P122/123. [… de mythisch-religieuze werkelijkheidsopvatting:] in de optiek heeft alle gebeuren handelingskarakter. Achter alles zitten persoonachtige actoren met hun motieven en bedoelingen. Niets gebeurt ‘zomaar’, het toeval heeft in deze werkelijkheidsbeschouwing geen plaats. … alles leeft … geen algemene natuurwetmatigheden … [124] alles met alles kan communiceren …

P124. Een verder zeer belangrijk kenmerk van deze visie op de dingen is het symbolische karakter ervan. Vele of zelfs alle gebeurtenissen en dingen hebben een diepere betekenis die door hun verschijningswijze op de voorgrond heen schijnt.

P125. Tenslotte is in deze optiek de werkelijkheid een zinvol verband, doortrekt zin haar van A tot Z.

P125/126 De moderne wetenschap in de hier beschouwde zin duidt de verschijnselen ook niet langer door middel van verhalen maar met behulp van theorieën waarbij [natuurfenomenen] als bijzondere gevallen van algemene wetmatigheden worden opgevat. Aan die verschijnselen wordt ook niet langer een [126] diepere symbolische betekenis of bedoeling toegeschreven. De dingen hebben enkel een feitelijke zienswijze … Met name is iedere evaluatieve of ideële dimensie aan de natuurfenomenen vreemd: die scheiding van feiten en waarden is een fundamenteel kenmerk in dit zicht op de werkelijkheid.

P126. Bij onoplosbaar lijkende dilemma’s hangt, zoals duidelijk is, alles er van af hoe de op het oog onverenigbare zaken, de zogeheten ‘hoorns’ van het dilemma, getypeerd worden.

P128. De tijd speelt trouwens in iedere werkelijkheidsconceptie een centrale rol, zodat wel gezegd is: geef mij uw opvatting van de tijd en ik zal u vertellen wat uw werkelijkheidsbeeld is. Het tijdsconcept is met andere woorden intern verweven met alle andere begrippen van een realiteitsconceptie (materie, energie, causaliteit, ruimte, enz.). Nog anders gezegd: gaat één van die begrippen, en dan met name dat van de tijd, schuiven, dan gebeurt dat met al die onderling eng gerelateerde begrippen van dat netwerk en ondergaat daarmee het hele werkelijkheidsbeeld een min of meer ingrijpende herijking. … Hoewel met man en macht geprobeerd is de warmteleer [thermodynamica] in het mechanistische fysische model te integreren, bleek dit een uitzichtloze onderneming.

P129. Causaliteit is weliswaar één term, die echter een verscheidenheid aan versies van oorzakelijkheid dekt. Ofwel, bij een pluriform tijdsbegrip hoort een pluriform oorzakelijkheidsbegrip. Dat kan dan tot de begrippen van ruimte, materie, energie, leven, bewustzijn, etc. worden uitgebreid en uiteindelijk tot dat van de natuur als geheel, die alle zaken met een verscheidenheid aan verschijningsvormen aanduiden. Dat spoort op zijn beurt met een pluralisering van ervaring, rationaliteit en waarheid. Van elk daarvan is er een diversiteit van typen die ieder hun eigen goed recht bezitten.

P130. Een systeem is dus per definitie meer dan de som der delen vanwege het feit dat de zijns- en gedragswijze van de ‘delen’ bepaald wordt door hun plaats en functie binnen het geheel. Daarmee is totaal afstand genomen van het ‘bouwdoosdenken’ à la Newton dat gehelen als aggregaten beschouwt, waarbij de eigenschappen van het geheel vanuit de eigenschappen van de samenstellende componenten verklaard wordt. … Steeds duidelijker is nu geworden dat het ‘normale’ geval [welk soort systeem?] in de natuur het open, niet-lineaire, complex georganiseerde, zich min of meer ver van de evenwichtstoestand bevindende, dynamische systeem is, met als modelgeval het organisme. … In de zo verstane natuur … ontwikkelen zich ‘emergent’ steeds nieuwe fenomenen en eigenschappen.

P131. In de nu zich ontwikkelende kijk op de natuur […een ‘holistische’ visie…] hangen de eigenschappen daarvan samen met het organisatiepatroon van het systeem als geheel. … Het organisatiepatroon (ofwel de structuur, configuratie, vorm of welke uitdrukking men daarvoor ook kiest) van de dingen lijkt op die manier het meest basale kenmerk van de werkelijkheid te zijn. … Deze open, niet-lineaire, dynamische enz. systemen kennen bij toenemende complexiteit kritische drempels, bij overschrijding waarvan zij sprongsgewijs op andere gedragswijzen overgaan en geheel nieuwe, ‘emergente’ eigenschappen gaan vertonen die uit de toestand van vóór het omslag- of kantelpunt niet af te leiden zijn.

p132. In [de onderliggende laag (van bijvoorbeeld materie)] van de natuur zou ook haar eenheid stichtende moment bestaan. En dat zou op zijn beurt weer betekenen dat de verschillende zijnsvormen, ondanks hun (aanmerkelijke) verschillen op de voorgrond (zoals tussen geest en materie), in de diepte aan elkaar verwant zijn. Hier zou de sleutel voor het begrip van de relatie en wederzijdse invloed van lichaam en ziel kunnen liggen, alsook bijvoorbeeld van de zogeheten paranormale verschijnselen. Er is .. naast de opwaartse causaliteit (de dingen en [133] processen op de lagere niveaus bepalen die op hogere niveaus) ook een neerwaartse, van hoger naar lager werkende oorzakelijkheid (downward causation). Op die manier zou zich de invloed van de geest op het lichaam laten verklaren, evenals het fenomeen van de wilsvrijheid.

P133. [Conclusie: we] leven in een dynamische, creatieve, open, veelvormige en rijk geschakeerde, diepe natuur, die steeds opnieuw ‘emergent’ nieuwe typen fenomenen met nieuwe eigenschappen voortbrengt. … [Stephen Hawking:] “Wanneer wij het antwoord op [grote vragen als het waarom van ons bestaan en van het heelal] kennen is dat de bekroning van het menselijk verstand – want dan kennen wij de geest van God.”

P135. [Ken Wilber over vele vooraanstaande fysici:] “They all became mystics”, zij werden allen mystici, overtuigd van een diepere werkelijkheid dan de direct tastbare. … Kortom, deze fysici zijn allen overtuigd te leven en denken in een open werkelijkheid met dimensies die ons niet alle in gelijke mate toegankelijk zijn, dimensies die achter de horizon van de wetenschappen en zelfs van ons denken en ervaren in het algemeen liggen.

P136. Door [in dit hoofdstuk] zichtbaar te maken … dat ervaring en rationaliteit meervoudige zaken zijn, is er in beginsel ruimte geschapen voor een eigen type spirituele ervaring die haar recht en versie van waarheid heeft. … Die gedachtelijn wordt dan ondersteund … door het inzicht dat de werkelijkheid een rijke diversiteit aan zijnsvormen kent die alle hun eigen vorm van orde en bijbehorende ontsluitingsmodi hebben. … [In een in ‘Newtoniaanse’ zin begrepen werkelijkheid] moesten … geloof en wetenschap wel in een verhouding van strijdigheid en wederzijdse uitsluiting terecht komen. … De verschillende werkelijkheidsdimensies en ervaringsvormen staan … niet maar los naast elkaar maar kennen wel degelijk een vorm van samenhang. … Religie [kan], om Einstein te citeren, blind [worden], [indien zij …] aan de wetenschap ontleende kennis [niet verdisconteerd]. Zoals omgekeerd wetenschap zonder religie, d.w.z. zonder antenne voor het geheim van de dingen, mank wordt.

H7. De spirituele armoede van veel moderne filosofie

P138. Bovendien, wil de hele ervaring niet een cerebraal spel blijven, dan zal er een ervaring aan moeten beantwoorden. Maar was de specifiek filosofische (of metafysische) ervaring niet die van een fundamentele betwijfelbaarheid van alle zijn en denken?

P139. De religie wordt door Kant uiteindelijk tot moraal gereduceerd … [Kant zijn] ontboezeming dat “twee dingen (…) het gemoed met steeds nieuwe en toenemende bewondering en eerbied (vervullen) hoe vaker en aanhoudender het nadenken zich daarmee bezig houdt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij.”

P140. Wil er dus sprake zijn van een spirituele filosofie of een filosofie met een spirituele dimensie, dan zal zij zich moeten baseren op vormen van spirituele ervaring die een meerwaarde ten opzichte van de gewone alledaagse ervaring vertegenwoordigen. Zoals elke filosofie bevraagd moet worden op de ervaring waarvan zij de uitleg is. … Spiritualiteit (evenals religie en religiositeit) staat en valt met een zinvolle invulling van de notie van transcendentie.

P141. [Karl Jaspers:] … dat het denken … zich nooit tot een totaalbeeld van de werkelijkheid kan ronden. … Heel de intentie van Jaspers’ filosofie is dan ook om mensen tot dit zelf-zijn (of beter zelf-worden) te wekken, niet (juist niet) om de zoveelste theorie van het mens-zijn te ontwikkelen. …[De] instantie [buiten de menselijke zelf], de transcendentie dus, ‘bestaat’ niet in objectieve zin, maar geeft zich slechts te kennen in de existentiële ervaring van betrokkenheid op de grond van [142] onze vrijheid.

P142. Was eerder de transcendentie ‘leeg’, wat gezien de ongeneeslijke metafysische behoefte van de mens onbevredigend is, niet minder is dat het geval bij een transcendentie die geheel in de sfeer van de subjectiviteit ligt [zoals bij Jaspers]. … De existentiefilosofie [… vroeg aandacht voor de veronachtzaamde …] ervaring in de eerste persoon. Filosofische ontwerpen hebben in de westerse traditie grotendeels in de sleutel van de objectiverende derde-persoons-ervaring gestaan, helemaal … toen de filosofie van de moderne tijd zich ging oriënteren aan de denkwijze van de natuurwetenschap. Daarom is die filosofie ook erg cerebraal, een aangelegenheid van het koele toeschouwende verstand.

P143. De existentiefilosofie … heeft zich echter niet aan het Cartesiaanse dualisme weten te ontworstelen. Het creëerde een sterke tegenstelling tussen de innerlijke en de uiterlijke ervaring.

P145. In het hier verdedigde andere zicht op de werkelijkheid moet dat dan zó gedacht worden dat leven een zijnsvorm is, ontstaan door het overschrijden van een kritische drempel ten opzichte van hoogcomplexe chemische structuren (eiwitten), waarbij ‘emergent’ een nieuw type van fenomenen met voordien onbekende eigenschappen op het wereldtoneel verscheen. Eigenschappen die toe te schrijven zijn aan een heel eigen organisatievorm van die verschijnselen waarvoor de onderlinge verwevenheid van uiterlijkheid en innerlijkheid kenmerkend is. … [‘panexperiëntalisten’ gaan ervanuit dat die innerlijkheid al voor alle vormen aanwezig was]

P146. [Het transcenderen] naar steeds nieuwe niveaus van organisatie is in beginsel onafsluitbaar. Dat betekent dat de werkelijkheid ‘naar boven toe’ open is.

P147. In deze kijk op de dingen past geheel het besef dat wij leven te midden van een ons verre overstijgende werkelijkheid, waar tegenover alleen een houding van nederigheid en eerbied passend is.

P149. Het beste is volgens [astrofysicus Paul Davies] dan ook om “de behoefte zich iets voor te stellen [bij uitdrukkingen als gekromde ruimte en singulariteit]” op te geven en tot het troostende inzicht te komen “dat de mens niet alles in de wereld begrijpt”.

P152. [William] James’ conclusie aan het eind van zijn boek [Varianten van religieuze beleving, 1963] is dan ook dat er typen van ervaring zijn die ons “onweerstaanbaar over de enge ‘wetenschappelijke’ grenzen (heen dringen). Werkelijk, de reële wereld is van een andere aard – ingewikkelder van structuur dan de natuurwetenschap [of de directe zintuiglijke ervaring, vdW] veronderstelt.” … [Filosofie kan zich openen voor meerdere ervarings- en denkwijzen. … Zo’n filosofie] wordt dan bij uitstek praktisch … [zij] is kortom een denken dat zichzelf in een leefwijze realiseert.

P153. Filosofie is de onderneming om al denkend de menselijke ervaring in haar volle breedte tot spreken te brengen en te peilen. Als die ervaring … een rijke verscheidenheid te zien geeft, dan is daarvoor een daarmee corresponderende verscheidenheid van denkmiddelen nodig. … Eerder zei ik al dat we ons daartoe van beelden, allegorieën, metaforen, gelijkenissen en symbolen moeten bedienen, kortom van allerlei vormen van overdrachtelijk spreken en denken. … [De] mensheid [heeft] in haar geschiedenis een schat aan beelden en symbolen ontwikkeld. … Het opmerkelijke daarbij is dat in de meest uiteenlopende culturen steeds dezelfde of analoge beelden en symbolen gebruikt worden voor het beleven en duiden van de werkelijkheid [zon, licht, weg, vuur, water, zee, fontein, berg, boom, roos, ei, wiel of cirkel, leeuw, slang, vogel c.q. vlinder, enz.; natuurlijke symbolen, anders dan conventionele [afgesproken] symbolen: <, >, +, -, ×, enz.]. … Jung spreekt in dit verband over archetypen

H8. Uit de schatkamer van de symbolen

P158. In dualistische religies zoals het Manicheïsme en de gnostiek staat het rijk van het licht, van de geest en het goede tegenover het rijk van de duisternis, de materie en het kwaad. Menselijke zielen als geestwezens zijn in die visie lichtpartikels die in de wereld van de materie verdwaald zijn en daar door rechte kennis (‘gnosis’) weer uit verlost kunnen worden.

P160. Steeds opnieuw dient het licht als blijkbaar onmisbaar symbool of ‘absolute metafoor’ om de begrijpelijkheid van de dingen te bevatten.

P165. De gedachte van een in stadia af te leggen weg naar opgaan in het absolute is uiteraard de basisidee van de mystiek in haar vele gestalten. … de idee van de methode (van het Griekse ‘hodos’, weg): als de juiste manier van te werk gaan bij de benadering van de verschijnselen, de aanpak van de problemen of de bewijsvoering.

P167. [Goethe zegt dat] “al onze kennis symbolisch is”. … het symbool is de veraanschouwelijking van de idee in natuur en kunstwerk. Symbool is belichaamde betekenis. Maar omdat het een surplus ten opzichte van het aanschouwelijke bezit, is het toch tegelijk meerduidig, onuitputtelijk, duidt het op een werkelijkheidsdimensie die ten diepste onuitsprekelijk is. De werkelijkheid is met andere woorden uiteindelijk ondoorgrondelijk, ‘unerforslich’, een door Goethe veel gebruikte term, kortom een mysterie.

P169. … in onze moderne samenleving die in het teken van wetenschap en techniek staat en dus sterk op de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid gericht is, [is] het symbolische besef sterk verzwakt. Jung heeft in dat verband van de “weergaloze verarming aan symboliek“ van onze moderne cultuur gesproken. Om de ontvankelijkheid voor het symbool draait het bij religie en spiritualiteit nu juist. … In laatste instantie zou met het pansacramentalisme alles sacrament kunnen zijn: iedere bloem, boom, vlinder, vogel, beek, berg enz. Het zou, indirect gevolg, ons ook tot een omzichtiger omgang met de natuur dan de nu gangbare kunnen voeren.

P171. Het is ons mensen dan wel niet gegeven in de onverhulde waarheid en goedheid te leven, het menselijk bestaan krijgt toch pas zijn kleur en spankracht door de poging daartoe

P173/174. [Abel Herzberg:] Alles wat wij zijn, wat wij zien, ervaren, zeggen, beleven en doen is fragment. Maar er is geen fragment, of de ziel van al wat leeft is daarin tot uiting gekomen. Er is geen moment zonder eeuwigheid, geen sterfelijk wezen, hoe mismaakt of welgevormd het wel mag zijn, waarin niet de onsterfelijke schepping is geopenbaard. Geen weldaad, geen misdaad, geen geest en geen stof, geen grens en geen duur of het is bestanddeel van de eenheid van het bestaan.

H9. Spiritualiteit en praktijk

P175. Deze eminent praktische gerichtheid van de wijsbegeerte is het ook die haar intern verwant doet zijn met (goed begrepen) religie, religiositeit en spiritualiteit.

P176. [Er] was met andere woorden geen sprake van een onderscheid van ‘leer’ en ‘leven’, maar integendeel van een vorm van inzicht die in de zijnswijze van een persoon zijn levende belichaming gevonden had. Misschien is dat wel de beste omschrijving die van ‘wijsheid’ gegeven kan worden, nl. als een inzicht in verdiepte vormen van menszijn dat sturing biedt aan het leven in al zijn aspecten. Dit in tegenstelling tot vormen van inzicht die slechts op deelaspecten van de werkelijkheid of het bestaan betrekking hebben, zoals met name in de westerse traditie gebeurd is. … [De] kloof tussen theoretische en praktische kennis [= inzage inzake de dingen die goed voor mensen zijn] is een problematische trek van grote delen van de westerse cultuur en geestesgeschiedenis gebleven.

P177. [H.U. von Balthasar] wijst er op dat de situatie al bij Thomas van Aquino, dus in de late Middeleeuwen, aan het veranderen is, omdat bij hem “de wil voorzit door het inzetten van alle rationele middelen de theologie tegenover de opkomende exacte wetenschappen als wetenschap (en niet slechts als spirituele ‘wijsheid’) te positioneren”. Sindsdien verstaat de theologie zich hier in het westen als wetenschap en heeft zij aan de universiteiten haar plaats te midden van de andere disciplines. Daarentegen is in het oosters-orthodoxe christendom van zo’n verzelfstandigde theologie die de geloofswaarheden of dogma’s van het christendom wetenschappelijk doordrenkt, geen sprake. … [Ernst Benz:] “… De geloofsbelijdenissen van de orthodoxe Kerk zijn geen abstracte formuleringen van een ‘zuivere leer’, maar lofzangen ter aanbidding, die in de liturgie hun vaste plaats hebben …” … Theologie, voor zover dat een passende term is, staat hier dus in een innerlijk verband met liturgie en devotie. Zij is eerder een vorm van meditatie dan van afstandelijk-intellectuele beschouwing en is op die manier direct op de praktijk betrokken.

P178. Maar een zekere afstandelijkheid en milde scepsis zullen voor zo’n door spiritualiteit aangestuurde houding [in een spiritueel doorstraalde filosofie] kenmerkend zijn, juist omdat er op een dieper niveau aandacht is voor de dingen die er echt toe doen. … Door in overeenstemming [met een goddelijk ordeningsprincipe] te leven voelt een mens zich gedragen door die kosmische kracht, krijgt hij daarmee grond onder de voeten en laat hij zich niet zo gauw van de wijs brengen door de wederwaardigheden aan de oppervlakte van het bestaan. … men gaat meer ‘inner’ dan ‘outer directed’ leven … [Spinoza:] ‘rust van de ziel’ als doel van de filosofische bezinning.

P179. [psychiater Rümke:] “Ons gehele leven is op vertrouwend geloof gegrondvest”

P183. … bij Spinoza, wanneer hij de vreugde als de overgang van geringere naar grotere volkomenheid definieert en schrijft dat zij niets anders is dan de gelukzaligheid die uit de intuïtieve godskennis ontspringt.

P186. Als we beseffen dat het mysterie van ons bestaan alleen maar omcirkelend en met behulp van metaforen en symbolen gevierd kan worden, dan schept dat ook de ruimte om er spelend mee om te gaan. … We kunnen dan onbevangen luisteren … vooral ook omdat de waarheidsvraag in het spirituele domein niet met de middelen van het alledaagse denken beslist wordt (hoewel zij zeker ook hun rol spelen), maar zoals eerder gezegd in een liefdevolle en humanitaire praktijk. Voorbeelden van zulk creatief spelen met geloofsinhouden waarbij zij uit de verstening losgemaakt worden, zijn Rilkes Stundenbuch, zijn Verhalen over de lieve God of zijn twee brieven Over God – maar onderschat de ernst en intensiteit van dit spelende zoeken niet. Uit genoemde geschriften van Rilke komt een zeer veelkleurige Godsvoorstelling naar voren, God heeft, zoals hijzelf schrijft, duizend gezichten, bij iedereen is hij weer anders. … [187] de mens als schatgraver in zichzelf … Wij moeten aan hem bouwen, schilderen en schrijven. Met het werk van iedere enkeling rijpt zo zijn rijk.

P188. Andere middelen om rigide denk- en handelingspatronen te doorbreken, zijn ironie, humor en zelfspot.

P189. [Vanheeswijck:] “De ‘absurde’ kunstenaar lacht vanuit de waarheid [ipv om de waarheid]. (…) De lach weert elke dogmatische waarheidsaanspraak. Maar de lach weert nooit de waarheid zelf; hij wordt er integendeel uit geboren.”

P190. [Etienne Vermeesch: WTK-complex:] Het complex van wetenschap, techniek en kapitalisme [vdW: economie, dus WTE] die een alliantie met elkaar zijn aangegaan. … De zaak daarbij is dat alle drie de componenten van het WTE-complex in de instrumentalistische modus staan: zij zijn geen doel in zichzelf maar leveren middelen voor externe doelen, uiteindelijk, zo is de aanname, voor het menselijk welzijn. En de idee is dat iedere uitbreiding van dat arsenaal aan middelen een bijdrage aan de bevordering van het menselijk welzijn is.

P191. Het gehele gewicht van die bevordering van het menselijk welzijn en geluk komt hier dus op de sfeer van de middelen te liggen. De moderne samenleving met haar stijl van leven rust kortom op een uiterlijk welzijnsconcept. Ook hier opnieuw bewijst zij een cultuur van de uiterlijkheid te zijn. … Schreef Kant niet dat wij de natuurwetten niet aan de natuur aflezen, maar dat wij ze aan haar voorschrijven? En dat de hoogste wetgeving van de natuur in onszelf, d.w.z. in ons verstand ligt? Wat een arrogantie!

P192. Als spiritualiteit zoals gezegd een positieve levenshouding inhoudt, dan zal dat zich uiten in welwillendheid, consideratie en hulpvaardigheid jegens anderen, zelfs in een zeker geduld met lastige medemensen.

P193. Voor de goede orde: spiritualiteit kan alleen omwille van zichzelf beoefend worden, nooit omwille van de effecten; dat zou een instrumentalisering en daarmee pervertering ervan inhouden.

Appendix. Indiaanse wijsheid

P203. [boeken:] Käthe Recheis en Georg Bydlinski – Weisheit der Indianer; David Suzuki en Peter Knudtson – Wisdom of the Elders; Wilfred Pelletier – A wise man speaks; Joseph Epes Brown – The legacy of the American Indian

P205. … in geen van de Amerikaans-Indiaanse talen een aparte term bestaat die met ons woord ‘religie’ correspondeert, net zo min trouwens als er een aparte term bestaat voor datgene wat bij ons ‘kunst’ heet.

P206. … de Indiaanse denkwijze [is] zeer aanschouwelijk ingesteld [en blijft] dus heel dicht in de buurt van de concrete verschijnselen met hun rijkdom aan kwalitatieve eigenschappen. Zij werkt maar op heel beperkte schaal met abstracte begrippen – ‘abstract’ inderdaad in de letterlijke zin van ‘afgetrokken’, afziende van de vele bijzondere kenmerken. Hier wordt dus niet over een boom in het algemeen gesproken, maar steeds over een eik, beuk, esdoorn, enz. … alles is manifestatie van Wakan-Takan …: het Grote Mysterieuze dat de werkelijkheid doortrekt en draagt. Deze werkelijkheidsopvatting kan daarom ook als symbolistisch gekenmerkt worden. … ‘Symbool’ moet dan wel begrepen worden in realistische, niet-conventionalistische zin. Dat wil zeggen dat het symbool en het gesymboliseerde in een innerlijke betrekking tot elkaar staan, in feite identiek zijn met elkaar. Alles in deze werkelijkheidsvisie heeft dus verwijzingswaarde, is de verschijningsvorm of ‘epifanie’ van het Grote Mysterieuze, dat op deze manier in de hele ervaarbare werkelijkheid present is.

P207. [In] de Indiaanse werkelijkheidsbeleving is de wereld één groot netwerk van symbolen

P208. De werkelijkheid is in de [Indiaanse] visie dus één grote communicatieve gemeenschap. … [Lame Deer, medicijnman van de Sioux:] Maar laten we niet over [de natuur] spreken – laten we met haar spreken.

P209. [Luther Standing Bear:] Dingen te vergaren en op te potten was zinloos geweest. … vóór de komst van de blanken zou geen Lakota er aan gedacht hebben over anderen te heersen en daardoor macht te verwerven. … allen maakten zich vrijwillig ondergeschikt aan het welzijn van de gemeenschap.

P210. Bovendien worden rituelen of gebeden uitgesproken om zich met de geest van de gejaagde dieren of gevelde bomen te verzoenen.

P211. Wat ‘heilig’ is, roept ontzag op, bezit een vorm van onaantastbaarheid. Uit hoofde van die kwaliteit van heiligheid moet daarom alles met eerbied en respect bejegend worden, tot iedere spar en zoemende bij toe.

P213. Heel deze geestesgesteldheid [van de Indianen], kortom, ademt een grote mate van gelatenheid, is met andere woorden sterk op wedervaren ingesteld eerder dan op ingrijpen en naar je hand zetten. … De Zweedse linguïst Nils Holmer [boek: Amerindian Structure Types, 1956] heeft twee typen van taal onderscheiden, nl. pathocentrische en ergocentrische, dat wil zeggen talen die een passieve, receptieve instelling en zulke die een actieve houding spiegelen.

P215. … de slotwoorden van een ceremonieel nachtgezang van de Navajo: ”Schoonheid zij voor mij. Schoonheid zij achter mij. Schoonheid zij onder mij. Schoonheid zij boven mij. Schoonheid zij om mij. In schoonheid is alles voleindigd.” Die laatste regel … is de formule ter beëindiging van een gebed, vergelijkbaar met het ‘amen’ in de christelijke traditie.

P217. In dat opzicht verschillen dus ook de Indianen niet van andere gemeenschappen, die vrijwel alle hun wereldbeschouwing en bijbehorende gedragscode hebben maar er in de praktijk soms (of zelfs vaak) van afwijken. Dat neemt niet weg dat het ideale verhaal zijn geldigheid behoudt, doorgaans zelfs voor de overtreders. … de Indiaanse wijze van leven, ervaren en denken [als] een uitgelezen mogelijkheid [voor ons] om eens in die spiegel, vanuit het immense contrast, naar onszelf te kijken en over de zin en misschien wel vooral onzin van onze denk- en leefwijze na te denken.